[Terug naar hoofdpagina] [Contactgegevens]
BOXTEL IN HET EERSTE MILLENNIUM
Een andere visie
Ook het schitterende boek Baanderheren Boeren & Burgers van Jean Coenen maakt duidelijk dat het grondgebied van het huidige Boxtel en omgeving in de Romeinse tijd (van ongeveer 50 tot ongeveer 250 n.Chr.) nogal druk bewoond was. Vondsten op bijvoorbeeld de volgende plaatsen tonen dat aan: de Heultse dreef (Gemonde), Hoog Munsel, de Hobbendonken, ten westen van Uilenbroek, in de buurt van het voormalige ziekenhuis, op de plaats van en nabij de voormalige (Romaanse) kerk van Gemonde, ’t Schipke, bij Luissel, en in Liempde op Kasteren, de Kerkakkers en de Hezelaarsche akkers. Er zal ongetwijfeld nog wel meer gevonden worden. Interessant is de veronderstelling dat deze bewoning te maken had met de transportsituaties in die tijd. Halder lag immers nabij de samenvloeiïng van de Essche stroom met de Dommel en het lag nabij de route van Tongeren naar Empel en Rossum.
Dit alles klopt prima met de geschiedenis van de Lage Landen die in de Romeinse tijd nogal dichtbevolkt waren. Het was een droge periode en zelfs de zeespiegel lijkt dan lager. Maar daarna? Hoe zat het na die tijd? Volgens Coenen volgde er in Boxtel en omgeving een periode van 500 jaar waarin er geen bewoning was. Naar mijn mening is die periode langer geweest en ik kom op ongeveer 800 jaar.
Coenen concludeert uit een kopie van een oorkonde dat er rond 700 n.Chr. weer bewoning was. Het gaat om een afschrift (!) van rond 1100 n.Chr. van de abdij van Echternach. In genoemde tekst staat dat Willibrord in 698/699 n.Chr. de goederen Rumelacha, Datmunda en Tadia kreeg van een zekere Hadericus en dat Willibrord deze goederen doorgaf aan de abdij van Echternach. Of het ook een echt afschrift was, weten we niet. Ik kom daar zo dadelijk op terug. Merkwaardig is echter wel dat archeologische vondsten uit die tijd (nagenoeg) ontbreken. Er zijn altijd wel wat losse vondsten die men aan die periode toekent, maar het gaat natuurlijk om vondsten die aannemelijk maken dat er enige constante bewoning was. Die zijn er niet. Hieraan ontlenen historici ook niet de overtuiging dat er die bewoning wel was. En ook niet aan toponiemen die van oude datum zijn (maar van welke?). Ook Coenen komt met een andere argumentatie. Uit het feit dat de abdij van Echternach in de twaalfde eeuw belastingen inde in Ruimel, Gemonde en Theede concludeert hij dat de abdij dus rond 700 n.Chr. (500 jaar tevoren) daar ook echt onroerend goed bezat. Coenen zegt over deze cijns (belasting): “Het was een soort erkenning aan Echternach, omdat de abdij in een ver verleden die grond beschikbaar had gesteld. Het is de eerste geschreven informatie die betrekking heeft op de omgeving van Boxtel”.
Op deze kwestie is echter een andere visie mogelijk, een visie die de laatste decennia door Duitse historici naar voren wordt gebracht, en vooral die historici die zich verdiepen in juridische zaken in verband met eigendom. Maar ook de historici die werken aan de Monumenta Germaniae Historia zetten steeds meer vraagtekens bij de echtheid van veel oorkonden. Secuurder gezegd: de afschriften uit de periode van circa 1100/1200 n.Chr. zijn helemaal geen afschriften van circa 700 n.Chr. maar het zijn stukken waarmee abdijen en koningen gronden claimden. Hoe meer ze in een strijd om het eigendom konden ‘aantonen’ dat het oorspronkelijk en oud bezit was, des te meer wonnen hun argumenten aan kracht. De historicus Hans Constantin Faussner gaat zover dat hij alle oorkonden m.b.t. de Merovingische en Karolingische tijd ‘vals’ acht. Vervalsingen (zo noemen wij dat) waren gewoon activiteiten om bezit te claimen of te verdedigen. Bepaalde abdijen, vooral die van de Benedictijnen, hadden speciale afdelingen waarin de gewenste juridische teksten geproduceerd werden. Op Boxtel toegepast: Echternach maakte stukken op of liet die maken waarmee in een (tamelijk) leeg land stukken grond werden geclaimd. Dat proces kan in de tiende eeuw begonnen zijn, juist in de periode dat de kolonisatie van het (tamelijk) lege land goed op gang kwam. De bewoningsleegte duurde langer dan Coenen oppert, eerder 800 dan 500 jaar, en dat maakt ook de spaarzaamheid van de losse vondsten begrijpelijk. Veel land in de Lage Landen werd vanaf de tiende eeuw gekoloniseerd en de abdijen en koningen speelden daar hun partij stevig in mee. Na enige tijd verhevigde zich deze strijd tot een strijd tussen kerk en koning en lokale heersers en juist toen was er behoefte aan bewijsmateriaal. Deze visie roept natuurlijk ook vragen op, maar ze biedt naar mijn mening een betere verklaring voor de historische gang van zaken.
Ook voor die van Boxtel. Want Coenen geeft aan dat zich onder de ‘Boxtel-oorkonden’ uit de elfde eeuw (te vinden in het Oorkondenboek van H. Camps) zich ‘oude vervalsingen’ bevinden. En hij vraagt zich af welke waarde we kunnen toekennen aan vervalste oorkonden uit de periode 1006-1050. Mijn antwoord is: je kunt er best historische waarde aan toekennen als je maar beseft dat ze ‘vals’ zijn, dat wil zeggen: ze zeggen weinig of niets over de periode rond 700 n.Chr. maar veel over de periode na 1000 n.Chr. En dat geldt niet alleen voor ‘oude vervalsingen’ maar in principe voor alle oorkonden en zelfs voor andere documenten zoals heiligenlevens die immers ook dateren van na 1000 n. Chr. Als een monnik het leven van Willibrord in opdracht van de abt van Echternach moest schrijven, dan moest hij de abdij (= God) dienen, en zat hij niet te schrijven om ons in 2004 een plezier te doen. In de door mij aangegeven visie wordt ook het gedrag van de heren van Herlaer en Boxtel begrijpelijker. Nu worden ze ook door Coenen opgevoerd als voogden die langzaam maar zeker het bezit van de abdij aftroggelden; ze hebben inderdaad de aanspraak afgetroggeld en geloofden niets van dat oorspronkelijke abdij-bezit. Sommige historici menen dat er toch rond 700 - 800 n.Chr. oorkonden geweest moeten zijn en dat de afschriften inderdaad afschriften zijn, omdat je in de oorkonden namen van getuigen tegenkomt die met elkaar in (familiaal) verband staan. Hier blijkt echter eerder sprake van een onderschatting van de kundigheid van de ‘vervalsers’ dan iets anders: de juridisch geschoolde monniken wisten maar al te goed hoe je je aanspraken moest onderbouwen en maakten gaarne gebruik van legendarische verhalen die de ronde deden.
A.C. Maas (Leende)