[Terug naar hoofdpagina] [Contactgegevens]
DAGEN VAN DE COACH 2009, 2010, 2011
Voor de derde keer maak ik mijn verhaal van de Dag van de Coach.
De vorige twee neem ik hierbij ook op. De Dag van de coach is een
activiteit die ‘te denken geeft’, en dat in de meest positieve zin
van het woord. Ik maak een persoonlijk verslag om de zaken die mij
bezighouden hanteerbaar voor me te zien. Hanteerbaar: ik ben altijd
gericht op leraarschap , vaak via de weg van voorlichting en
publiciteit. Scripta manent, verba volant, al geef ik toe dat
scripta ook nadelen kan hebben en volant voordelen.
Dag van de coach 2011
Coach-zaken, dat is het thema. Nu is alles te zien als een zaak maar
het gaat hier echt om zaak in de zin van onderneming. De onlangs
gepromoveerde Ben Tiggelaar ziet twee belangrijke invalshoeken: 1.
ondernemen en 2. zakelijke organisatie. Hij lokt de nodige
zelfprofilering uit en iedere actieve deelnemer uit de (volle ) zaal
gaat daar enthousiast in mee. Er duiken ‘unieke niches’ op, zoals
het coachen van ‘Liefde delen met meer partners’.
Je ziet dat deze mensen overtuigd zijn van de kracht van hun eigen
concept. Controleren kunnen we het niet, want de kwestie van
allerlei vormen van investering, omvang van verrichte arbeid en
resultaten, opbrengsten en rendement blijft als thema buiten beeld.
Het werkelijke thema blijkt dus: hoe profileer ik me als
onderneming? Dus komen er vooral vragen als: wat voor coach ben je,
wat is in je ondernemerschap, je visie en richting, wat is kracht om
met risico’s aan de slag te gaan (vaak ‘durf’ genoemd). Het verhaal
over financiële doelen blijft binnen het bord van het monopolyspel
zoals Ben Tiggelaar dat ziet: gebrand zijn op ‘betalen’ maar daarna
weer humane relaties. Ontegenzeglijk: goed theater als inleiding op
het discussieforum. Daaraan nemen deel: Paul Iske, Marijke Lingsma,
Jan Walburg en Harry Starren. In het forum is er veel aandacht voor
creativiteit in het ondernemerschap, en die creativiteit komt er
alleen maar als het nut van (een tijdelijke) doelloosheid wordt
gezien en aanvaard, denk met veel tevredenheid.
Paul Iske
Je kunt niet alleen financieel maar ook lichamelijk, emotioneel en
intellectueel failliet gaan . Er zijn echter briljante mislukkingen.
Mislukken is soms een betere tweede kans. Zo worden faillisementen
in een positief daglicht geplaatst. Het perspectief is het slagen
van de ondernemer. Voor de slachtoffers van faillisementen en de
maatschappelijke kosten is er geen aandacht. Naast de reward voor de
briljantste mislukking zal er ook wel een prijs voor het beste
faillissement komen. In onze maatschappij zijn er al heel wat
grootmeesters op dat terrein. Toch even goed opletten….Paul zet in
zijn voordracht en in zijn artikel in het programmaboekje de kwestie
van serendipiteit goed op een rij. In het boekje op een wat
opgezwollen manier: we moeten vooral niet denken dat het geen
wetenschap is wat hij over ‘combinatorische innovatie’ te berde
brengt. Succes kan niet altijd een efficiënt proces zijn; een wat
langere en zoekende weg kan effectiever blijken, maar dat weten we
pas achteraf. In veel organisaties is er echter angst voor
onzekerheid. Daar geldt de wet: NT+OO=DOO, dat wil zeggen: Nieuwe
technologie in een Oude Organisatie resulteert in een Dure Oude
Organisatie.
De grote vraag is dus hoe je mislukkingen briljant kunt maken. Beter
gezegd: hoe kun je er zo mee omgaan dat de leerwinst omgezet kan
worden in een betere situatie. Biedt een mislukking inderdaad genoeg
leerzame informatie? Mislukken kun je in elk geval zien als een
tussenstap naar lukken. De briljantie zit in elk geval in de
mislukker. De idee ‘Alleen ga je sneller, samen kom je verder’ past
goed bij Paul’s betoog. Zijn theorie over de creativiteitsindex is
waarschijnlijk even interessant als onbetrouwbaar: het aantal keren
dat je per dag lacht maal het aantal vragen dat je stelt. Meer een
denkbeeld dan een theorie. Met 44 jaar schijnt die index het laagst
te liggen. Uiteraard krijgt het onderwijs weer als verdienste
toegekend dat het de creativiteit van kinderen dooft. Laten we dat
dan ook maar een omvangrijke briljante mislukking noemen, waar alle
bij het onderwijs betrokkenen van zouden moeten kunnen leren. Als we
onze economie een zomby-economie mogen noemen (= iemand is dood maar
heeft dat nog niet in de gaten) dan hebben we de belangrijkste
mislukking voor ogen. Straks kom ik hier even op terug.
Marijke Lingsma
Marijke ziet de essentie van ondernemerschap vooral in de
geloofwaardigheid van de ondernemer. Dat verhaal moet juist door de
klant doorverteld worden. En om dat verhaal te laten beklijven is
nodig dat je zichtbaar bent. Je moet ook een aansprekend beeld van
je onderneming creëeren. Marijke heeft een veriant op het motto
(Minder maar dieper) van de vorige Dag van de coach gekozen: Less is
more. Een mooie uitspraak van haar is dat een goede leider mensen
met rust kan laten. Ze vraagt zich af wat een mislukking is. Wanneer
definieer je een situatie voor jezelf zo? In hoeverre zijn
tegenslagen normaal in het leven? Maar wel: hoe lang is het normaal
en goed dat je ‘ondersteboven’ bent, dus wanneer daagt weer wat van
‘bovensteonder’? Ze benadrukt ook het belang van het spelenderwijs
tot inzicht komen, en het motiverende van samen spelmogelijkheden
ontwikkelen, en dat kan als je over genoeg tijd beschikt.
Ik denk dat velen haar optreden in deze context van theatrale
performances niet zo overtuigend vinden, maar niemand zal het in
haar hoofd halen om dat te denken. Ze is meer stil aanwezig. Marijke
heeft meegewerkt aan het artikel Moeten we wat met Ontmoeten? in het
programmaboekje , een artikel waarin zeven vrouwen een gezamenlijk
ei met zeven dooiers leggen. Ze zijn allen tegenstandster van
‘moeten’. “Ontmoeten’ zou met twee moetens (namellijk ‘ont’ en
‘moeten’) zelfs een dwangwoord zijn. Gelukkig slaat ‘ont’ ook nogal
eens op bevrijden van, los laten, wegdoen. Dit ont-zenuwinkje ‘moet’
kunnen. “Een ontmoeting betekent ook afscheid nemen, weer uit elkaar
gaan. Zonder het afscheid nemen vindt er geen ontmoeting plaats’,
laat Marijke noteren. Een ontmoeting is dus ondanks de
dwangelementen gelukkig wel te beëindigen. Het is geen vorm van
gevangenschap.
Jan Walburg
Jan maakt duidelijk dat werk en privé niet te scheiden zijn. Werk
gaat naar privé en omgekeerd. Ter overweging: misschien is het wel
verstandig om ze formeel wel te scheiden, terwijl het een
persoonlijke kwestie is hoever de onderlinge verwevenheid strekt. De
medewerker moet de mogelijkheid om te scheiden en te verbinden (zie
Marijke Lingsma) in handen houden. Zeker met de toename van
flexibele arbeidsarrangementen is het verstandig om het verschil
juridisch te handhaven, maar ongetwijfeld kan er flexibeler en ook
produktiever mee omgegaan worden. Welbevinden thuis en op het werk
versterkt de kracht van de onderneming. Ikzelf ben ook steeds meer
gaan denken in termen van een ‘professionele familiekultuur’. Jan en
ook de andere leden van het forum vinden dat meer aandacht voor
privé goed is voor het werk. Veel organisaties zijn echter
over-managed en teveel managers hebben er eigenlijk niet veel belang
bij dat persoonlijke problemen op een natuurlijke manier opgepakt
worden. De overvloed aan personeelsinstrumenten moet weg (ook alle
standaard- competentiegedoe): je moet mensen zelfregie leren en dat
bevorderen, waar nodig met hulp.
Bij POP’s, sollicitaties en andere belangrijke loopbaanzaken zou de
partner ook meer betrokken kunnen worden, al is het maar met een
etentje. Kortom: een bepaalde positieve betrokkenheid werkt gunstig.
Ook de presentatie van Jan was doortrokken van de gedachte en de
ervaring dat vertrouwen in medewerkers en talenten productief is. In
het programmaboekje komt hij met een goed verhaal over het managen
(coachen) van een innovatief werkklimaat. Competentie-ontwikkeling
ziet hij als het ontwikkelen van de sterke kanten van mensen. Maar
dat staat nu juist in tal van branches onder druk, denk ik dan. Jan
Walburg (en Matthieu Weggeman) hebben eigen vooral meer specifieke
organisaties op het oog. De meeste organisaties zijn op maximale
productie van de melkkoe-artikelen op momenten dat de markt dat
vraagt en het de organisatie dus het beste uitkomt. Focus op kosten
leidt tot minder kwaliteit, focus op kwaliteit leidt tot minder
kosten, maar dat laatste vergt vertrouwen in burgers en medewerkers.
En daar laat ik nu maar bij.
Harry Starren
Harry betoogt dat visie fantasie vergt, en vooral zijn presentatie
van het fantasie-aandeel is prachtig. Ik noem het ‘absurderen’. In
het programmaboekje maakt hij onderscheid tussen visies die
voortkomen uit continuïteit en visies die juist discontinuïteit
markeren. Hij fantaseert ook meteen door op wat de bijeenkomst tot
nu toe aan opmerkelijke geluiden bracht. Steeds iemand anders
meenemen naar een ontmoeting met je werkgever, bijvoorbeeld. Harry
is ook de uitvinder van interplanetery banking. Daar heeft hij
trouwens ook tijd voor want een dag heeft bij hem 24 uren privé en
24 uren werk, opgeteld: 24 uur: ik leef. Opvallende visie: coaching
is vooral verhalen vertellen. Wordt hier kritiek uitgeoefend op de
heiligheid van het totale luisteren en het ‘weldadige’ van het
nieuwsgierig zijn van de coach. Harry verkondigt een andere
levensstijl, die gebaseerd is op de geestkracht.om allerlei
verschijnselen en actualiteiten met andere ogen te kunnen zien.
Daarbij laat hij niet na om aan te geven dat de opdracht ‘Wees
creatief’ een paradox is die per definitie iets onmogelijks vraagt.
Creativiteit is vooral ook een kwestie van sociale context, die
mogelijk maakt dat je jezelf toestaat anders te denken en
communiceren. Hoe werken zes blinde olifanten samen? Hoe moeten we
ons een verlegen manager voorstellen? Wat doet een dove dirgent? Uit
het ‘absurderen’ kunnen bruikbare ideeën voortkomen, maar ze maakt
vooral het denken ‘out of the box’ mogelijk, en genoeg realiteitszin
om ‘in the box’ in de ‘gaten’ te houden. De waarheid fantaseren,
zoals Harry zegt. Zo kom je ook het dichtst bij empathie. Visie is
inderdaad dat wat achteraf juist blijkt, beter gezegd: dat is visie
ook. De werking van een visie kan echter niet aan effectmetingen
afgemeten worden, omdat visie per definitie iets anders is dan een
conclusie. Visie is een zo goed mogelijk overwogen sprong in het
duister. Als het productief onderhandelen gaat, dan beveelt Harry in
de bergen nutteloze en triviale managementliteratuur het boek
Getting to Yes aan. Rake tip.
Ik hoorde dat de workshops over nieuwe boeken redelijk tot zeer goed
bevielen; de evaluatie zal dat exacter aangeven. De formule is
eenvoudig en daardoor waarschijnlijk toch sterk. In de
ochtendbijeenkomst en ook in de workshops was er een duidelijke lijn
van het belang van vertrouwen in mensen; het oude adagium ‘controle
is goed, vertrouwen is beter’ drukt deze lijn nog te zwak uit.
Uiterst merkwaardig is nu dat we in een top-controle-maatschappij
belanden. Op de Dag van de coach maar ook niet in het Tijdschrift
voor coaching is echter van een maatschappijkritische oriëntatie
weinig te merken. Behalve bij de afsluiter van deze dag: Rudy
Vandamme, die beseft dat we coaching tot een consumptie-product
maken als we niet de maatschappijke situatie meenemen in het
analyseren van iemands probleem en een oplossing die het individu
bevrijdt. Hij zegt in het programmaboekje: “Coaching is verouderd
omdat het zich beperkt tot het individu en het psychosociale
domein”. De spijker op de kop, nu moet er nog getimmerd worden. In
2009 vervulde Martijn Askander de maatschappijkritische rol en in
2010 Roos Vonk. Ik hoop van harte dat we de ideeën van deze mensen
koesteren, verwerken en hanteren in de praktijk.
Dag van de Coach 2010
ENKELE ESSENTIES
Ook op deze dag heb ik met veel interesse allerlei presentaties
gevolgd. Over die van Daniël Ofman, Marinus Knoope en Roos Vonk, de
blikvangers wil ik enkele opmerkingen maken, met de bedoeling enkele
verdiepingsmogelijkheden voor ons tijdschrift aan te geven. Mijn
standpunt i.v.m. het TVC als volgt: het TVC moet breed blijven
(vanwege een aantal pluspunten) maar er moet een zekere ruimte komen
voor een meer wetenschappelijke benadering van coaching. Ook vanuit
marketing gezien is het knap om het tijdschrift zo neer te zetten.
Maar de inhoud is net wat te oppervlakkig en opportunistisch. Van
enigerlei discussie bijvoorbeeld is geen sprake, en dat is toch
opmerkelijk ten aanzien van een werksoort die zoveel visies omvat en
waar zoveel uitvoerders bij betrokken zijn. Het is overigens wel een
trend bij veel populair-wetenschappelijke tijdschriften om
discussies buiten boord te houden. De lezers zouden daar niet van
houden of geen tijd voor hebben.
Eerst nog even een ander stukje verheldering. Met wetenschap bedoel
ik niet dat alleen mensen met een afgeronde universitaire opleiding
of gelijkwaardige accreditaties en certificaties het woord moeten
voeren, ook bedoel ik niet dat wetenschap alleen maar empirische,
empiristische of experimentele wetenschap is (het
natuurwetenschappelijk model) maar ik bedoel wel het geheel van 1.
geesteswetenschappelijke (incl. filosofische) , empirische en
maatschappijkritische benaderingen. Zeg maar in het kort: Jürgen
Habermas. Ik herinner aan wat Ben Tichelaar vorig jaar in een
enerverend betoog presenteerde aan zogenaamd wetenschappelijk
onderzoek: dat waren voornamelijk conclusies uit ‘research’ en
tegelijk een open deuren-toestand waar we niet veel aan hebben.
Daniël Ofman
Hij ging uit van een bekend schema:
1. Inhoud (het)
2. Houding (Ik)
3. Verhouding (Wij).
En wat bleek in zijn toespraak? Hij had alleen de relatie 1 en 2 in
het oog. En daar maakte hij leuke opmerkingen over. Maar ja, vanuit
3 kom je terecht bij mensen als Buber, Rozenzweig, Heidegger en
vooral Lévinas. Wij is nu net: Ich und Du, of omgekeerd. Hier valt
heel wat te verdiepen.
Zijn verhaal over het kernkwadrant was goed: dat instrument wordt
inderdaad te simpel, oppervlakkig en mechanisch gebruikt (dat gaat
altijd zo als epigonen ermee aan de gang gaan) , maar hoe het dan
anders moet kwamen we niet te weten. De zaal applaudiseerde zeer
nadrukkelijk toen hij in de discussie de woorden uitsprak : minder
maar dieper. Hij leverde daar zelf geen bijdrage aan. Het TVC wel???
Marinus Knoope
Marinus was voorzichtiger geworden met zijn 252 ‘emoties’, want hij
relativeerde enkele keren die term, maar had kennelijk geen behoefte
om definities bij te stellen ( een wetenschappelijke voorwaarde).
Gelukkig bracht Roos Vonk op het einde van de dag een onderscheid
aan tussen driften, stemmingen en gevoelens, stof die in een
praktijktheorie thuishoort. Marinus beweerde onder meer:
- ‘Er is geen ik’, en dat op basis van waarschijnlijk wat
mediaberichten over neurologisch onderzoek: je handelt al alvorens
je beslist hebt. Hier wreekt zich nu het gebrek aan wetenschappelijk
discours. Als dat waar zou zijn, is onze maatschappij alleen maar
met terreur te regeren. Niemand zou verantwoordelijk, aansprakelijk
en strafbaar of beloonbaar zijn. Het is ook meteen het einde van
coaching. En het verhaal over de creatiespiraal van Marinus is
compleet ondermijnd. Gevaarlijke neurologie: maar wie gelooft dat nu
echt dat je in principe beslist zonder overwegingen vooraf? Trouwens
….in een zin die volgde op ‘er is geen ik’ hoorden we Marinus
stellen: ‘Toen ontdekte ik…’
- zijn standaardreactie dat het verwoorde gevoel inderdaad klopt als
anderen dat bevestigen, is niet meer dan een tautologie.
Humoristisch maar ook niets zeggend. De aanpak om je gevoel te
spelen, is een van de leukste elementen van de aanpak van Knoope,
maar ……: is dat inderdaad (altijd) een goede reactie van een
coach….? De valkuil is een speelkuil. Is dat zo: wanneer wel en
wanneer niet? In zijn aanpak zit een tendens om gevoelens van mensen
te relativeren en zelfs bagatelliseren (, zelfs te cabaretiseren).
Hebben we hier een technisch juiste waarneming, terwijl we van de
werking weinig of niets weten. Wat een bron voor verdere discussie!!
Maar we doen er in feite alleen maar iets marketingsachtigs mee.
Roos Vonk
Haar verhaal vond ik het meest richtinggevend, maar ik heb het maar
half kunnen volgen omdat ik (helaas) naar een andere bijeenkomst
moest. Zij probeerde vanuit basisdefinities te denken (zie
hiervoor). Enkele verdiepingsonderwerpen die ik bij haar hoorde:
- de modieuze leuze om ‘je gevoel te volgen’ (vooral ook een goed
advies aan criminelen) werd prima op zijn plaats gezet
- ‘emotionele incontinentie’: met alle maatschappelijke en leed
veroorzakende gevolgen vandien.
Haar bijdrage zou een stuk van onze TVC-filosofie kunnen zijn, in
die zin dat we een deugdelijke leidraad hebben om thema’s en
onderwerpen vast te stellen.
De discussie tot nu toe over verdieping zakt weg in trivialiteiten.
Zo van: we moeten niet moeilijk gaan schrijven; TVC moet wel
leesbaar blijven, de artikelen mogen niet te lang worden, etc. dat
vind ik ook allemaal, maar het heeft niets te maken met een zekere
inhoudelijke verdieping. Mijn opmerkingen in deze notitie zijn
alleen maar bedoeld om aan te geven hoe dichtbij enige verdieping
ligt. De vraag is of we ervoor voelen om in bepaalde mate deze kant
op te gaan.
Dag van de coach 2009
Op weg naar Ede denk ik: is een verwachting ook een vooroordeel? Een
verwachting zien we positief en een vooroordeel negatief. Toch kom
ik ruimschoots op tijd aan bij de Reehorst. Iedere keer dat ik ons
Tijdschrift voor Coaching doorneem, kom ik eigenlijk tot dezelfde
bevinding: informatief, want je ziet wat er gebeurt in coachingsland,
maar ook: te weinig diepgang en te instrumentalistisch. Goede
voorlichtingsjournalistiek, maar te weinig filosofie en serieus
onderzoek. En dan ‘de dag van’? Is er aandacht nodig voor een
bedreigde soort? Zal ik een waarschijnlijk omvangrijk maar toch
zielig gezelschap aantreffen dat troost bij elkaar zoekt en ook wel
zal vinden? Die competenties zijn rijkelijk voorhanden.
Theo Mulkens opent onder meer met het benoemen van enkele lagen in
het mens-zijn, ontleend aan Stephen Covey, leuk gebracht, maar over
die Berzirke des Seins is al – voorzover we weten- meer dan 2000
jaar nagedacht en dat thema zou wel een interessant artikel waard
zijn. Bij Maslow bijvoorbeeld vind je idee van de gelaagdheid ook
terug. Mooi dat het spirituele bestaansniveau genoemd wordt (dat
woord doet het beter dan ‘religieuze’) en dat ik dat later in kring
van de aanbieders van opleiding en scholing nogal eens terugzie.
Bezieling is ook zo’n interessant woord (of passie), en dan zit je
weer niet ver af van de gedachte dat de mens dan ook wel meer zal
zijn dat de combinatie van geest en stof. Thomas van Aquino eens op
na slaan? Wel oppassen want van het een komt het ander en op een
gegeven moment valt de boekenkast om of ben je verdwaald op
internet, of beide.
Ben Tiggelaar is nog maar goed en wel begonnen, pas twee keer mocht
ons bloed weer wat vrijer stromen (met wat lichaamsbeweging), en dan
is het raak: het denken in techniek krijgt een oplawaai. Niks doen
is vaak effectief, had hij al eerder de schouwburg in geslingerd.
Interessant: hulde dus aan een zekere passiviteit, reflectie op ons
niet aflatend activisme, waar onder meer Cornelis Verhoeven graag
kritisch over schreef. Niets doen kan dus effecten hebben, een diepe
gedachte bij nadere beschouwing. Ben denkt wel vanuit daden,
namelijk vanuit wetenschap en dat is in dit geval empirisch en
experimenteel onderzoek. Gebruikte technieken zijn voor 15%
relevant, het geloof in verandering ook, maar de relatie
coach-cliënt 30% en de kenmerken van de cliënt 40. Ik tob meteen
weer over de gehanteerde begrippen en onderscheidingen maar ik denk
meteen: dat van die technieken houdt Ben niet vol. En inderdaad: hij
nuanceert na enkele opmerkingen hierover. Al ons professionele
handelen kun je namelijk definiëren als techniek. Het begrip
techniek is pas het laatste eeuwtje geleidelijk toegepast op gedrag
van mensen, de laatste decennia in sneltreinvaart en we staan aan de
vooravond van de mens als technisch ontwerp: de mens (of een andere
instantie) bedient ‘de computer’ (natuurlijk niet van die rare
bakbeesten die er nu nog zijn) en de digitaliteit bestuurt de
mens(en) betrouwbaar verder. Zo zal het wel gaan. Mijn woord
‘instrumentering’ is voorlopig toch wel wat beter dan ‘technieken’,
constateer ik met enige voldoening.
Ben zijn vitale betoog spreekt mij erg aan wat betreft de
transformatie van ‘evidence based’ naar ‘evidence inspired’. Als ik
de dag zou moeten typeren dan zou ik kiezen voor: praktijkonderzoek
geïnspireerd. Uiteraard weer vragen van mezelf en bij mezelf naar:
wat is evidentie en wat is inspiratie eigenlijk? Maar de kern van
zijn betoog is toch wel dat professionals niet ‘protocol-geleid’
willen handelen. Logisch, daar zijn ze professional voor. Ze willen
hun eigen evidenties uitvinden en ervaren. En daar zitten zulke
gewone en duidelijke bij dat ze met gezond verstand aan te wijzen
zijn: niet teveel denken in tekortkomingen van de gecoachte, betrek
de context van de cliënt in je aanpak (begint dus niet aan ‘ja
maar-trajectjes’), beloon het gewenste en benadeel of straf wat
ongewenst is (dat is dan meer bedrijfsadvisering, dus coaching van
managers), laat positief ervaren feedback domineren (dus niet alleen
maar provoceren), enzovoorts. Maar………….. maak mogelijk dat
wetenschappelijke bevindingen je praktijk kunnen bevragen: sta deze
feedback ook toe, niet als recepten-, protocollen- of techniekenboek
maar als feedback
Tiggelaar behandelt actereenvolgens de wetenschappelijk bevindingen
op de genoemde terreinen (kenmerken van de cliënt, de relatie
coach-gecoachte, geloof in verandering en het gebruik van
technieken). Je zou deze indeling met de genoemde percentages
voorlopig kunnen gebruiken als een soort wegwijzer voor de redactie
van ons tijdschrift denk ik plotsklaps.
Tevredenheid over het algemeen bij de bijwoners van de workshops,
maar ook wel ongenoegen en ook veel enthousiasme. Om dit te
begrijpen – ontdek ik – moet je eigenlijk weten vanuit welke
maatschappelijke positie de workshop-leiders denken en handelen. Ik
woon een workshop bij en weet na enkele minuten dat hier gedacht
wordt vanuit een bedrijfsmatig denkende organisatie over coaching in
bedrijven. Dat verhaal ken ik. Geen zin in. Maar anderen reageren
nogal betrokken: ze kozen klaarblijkelijk erg goed. Dat brengt me op
de gedachte hoe weinig aandacht er in ons tijdschrift is voor de
sociologische visie op coachers en gecoachten. De maatschappelijke
en organisatorische context komt niet goed in beeld. Op de levendige
boekenmarkt zie ik maar enkele boeken die zich daar wel rekenschap
van geven. Werk je als coach wel of niet vanuit een organisatie die
kwaliteitseisen aan jou stelt en werk je voor een bepaalde
organisatie die eisen stelt aan de gecoachte en die eisen stelt aan
jou. Het denken op dit gebied is verwaarloosd; er wordt voornamelijk
gedacht vanuit de een-op-een-relatie van coach en gecoachte. Na de
val van de Berlijnse muur is de sociologie uiteraard ten grave
gedragen, omdat die altijd al bedreigend was voor de kapitalistische
democratie, maar wat hebben we deze kijk op de werkelijkheid
onverbiddellijk hard nodig, denk ik. Een stevig aandacht punt voor
ons tijdschrift.
De rondgang in de ruime kelder levert op dat er uiteraard een
(getemperde) commerciële ambitie is, maar er is ook inhoudelijke
inspiratie: men gelooft in het produkt. Hier ligt de kopij ook voor
het oprapen, alleen al een analyse van de opleidingsconcepten of de
ideeën over bijscholing van de coach at work. Er is toch duidelijk
een spanning tussen inhoudelijke betrokkenheid (het ideaal) en de
financiële haalbaarheid en het geldelijke rendement. Ik praat met
wel een tiental mensen. Of het zo moet zijn, de geluidsinstallatie
meldt dat ik naar Askander moet, niet alleen volgens het programma
maar wat mij betreft ook vanwege inhoudelijke motivatie.
Martijn Askander graaft terug naar de wortels van het denken in
termen van economie. Wat een schitterende wisseling van perspectief.
Hij betrekt zijn mentale archeologie op het ondernemen. Dit raakt
iedereen. Hij draagt voor: ik ben niet te huur, ik doe alleen waar
ik zin in heb, ik schafte mijn klanten af, ik werk niet voor mensen
maar met mensen, alles kan als je maar wilt, als je niks hebt kan
alles, we leven in overvloedigheden, it is risky to be safe, aan
vage kennissen heb je meer dan aan vrienden (gezien vanuit het
oogpunt van nut-maximalisatie), sociaal kapitaal moet je weggeven,
mensen helpen graag., twitter is tot nu toe het krachtigste
netwerkmiddel (er is zelfs een debiel groot netwerk mogelijk), over
tien jaar bestaan hiërarchische organisaties niet meer. Maximale
alternativiteit. Wat een consistentie binnen die kijk. Altijd al had
ik ararchistische neigingen, vind ik zelf, maar nu ervaar ik hoe
zinvol die kunnen zijn. Ik voel het in de zaal: spanning en
betrokkenheid en langzaamaan begeven zich de woorden van Willem
Elsschot tussen ons in: Maar tussen droom en daad staan wetten in de
weg en praktische bezwaren. Martijn benoemt onze overvloedigheden.
Zijn existentie en handelen is daardoor eveneens mogelijk. Hoewel:
meer ruilhandel kan zich natuurlijk veel omvangrijker organisaeren.
Ik coach jouw zoon als jij mijn huis opschildert. Daar krijgen de
belastingen het dan echt moeilijk mee, maar reken je niet rijk: ze
komen er democratisch uit, bijvoorbeeld met een ‘onderlinge
diensten-belasting’. Askander zou zijn betoog krachtig kunnen
versterken met beelden uit de wereld van de kunst. De scheppers van
nieuwe werkelijkheden hebben ooit dingen uitgebeeld die hij nu
prachtig verbaliseert. Mijn tip: begin maar met Mondriaan.
De stelling van Mulkens (dat BMC wringt zich toch overal strategisch
in -?-, sterk werk) aan het begin van de dag (De coach draagt 0 %
bij aan de ontwikkeling van de gecoachte), wordt natuurlijk niet
beaamd. De formulering van de stelling vind ik wel typerend voor
veel visies en standpunten die ik hoor. Het taalgebruik is te
slordig om doelgericht te kunnen praten. De term ‘bijdragen’ is
bijvoorbeeld niet gedefinieerd. En hoe moet ik de generalisatie
lezen: draagt in principe niet bij of draagt in veel gevallen niet
bij? (Als de coach alleen maar aanleiding is tot zelfstandige
heroriëntatie van de gecoachte is dat ook een factor.) Veel
kernwoorden, dus bij het coachingswerk horende vaktermen, verdienen
meer analyse. Hoewel we in een informatiechaos leven (waar Martijn
Askander in elk geval uitermate produktief mee kan leven) is meer
verheldering van begrippen mogelijk: standaarddefinities zullen er
wel niet komen maar de discussie verdiept zich gegarandeerd.
Huiswaarts: mijn verwachting is overtroffen, mijn vooroordeel is
ontkracht en ik heb besloten om Metabletica van Jan Hendrik
van den Berg opnieuw te gaan lezen.