[Terug naar hoofdpagina] [Contactgegevens]
Rapport DEETMAN, de media en de toekomst
Seksueel misbruik is altijd verwerpelijk en zeker bij kinderen: slachtoffers dienen met respect bejegend te worden en maatschappelijk aanvaardbare genoegdoening te krijgen in geestelijke en materiële zin. De kwaliteit van de berichtgeving over dit misbruik binnen de Katholieke Kerk is tendentieus, en dat moet ook op tafel komen, maar zelfs deze berichtgeving is beter dat het verzwijgen van nieuws. Echte lezing van het Rapport Deetman levert ook andere conclusies op dan tot nu toe naar voren kwamen. .De wetenschappelijke waarde van het gerapporteerde onderzoek (1) van de commissie: het is een compliment waard maar er moeten toch enkele onderzoeksproblemen gemeld worden om een duidelijk beeld te krijgen. Daarna volgt een beknopt overzicht (2) van de belangrijkste bevindingen, strikt op basis van het rapport. In een apart overzicht (3) geef ik vervolgens aan wat het rapport vaststelt ten aanzien van het bestuurlijke handelen van de kerkelijke organisaties. De wijze waarop een overgroot van de media de bevindingen van het rapport behandelde, is de volgende stap (4): het mediagedrag is ook een onderzoek waard, uiteraard inclusief de bestuurlijke verantwoordelijkheid hiervoor. Veel aandacht ging uit naar hulpverlening van en genoegdoening aan de slachtoffers (5), maar hier passen wel enkele kanttekeningen bij. En tenslotte (6) komt aan de orde de last die op basis van dit rapport op het bord van de politiek, overheid en justitie is terechtgekomen, althans zou moeten komen, het grootste probleem dat het Rapport aanreikt, en dat probeerde Deetman ook vergeefs duidelijk te maken.
Wetenschappelijk onderzoek
Er is een uitgebreide en een gewone versie van het Rapport Deetman Seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-katholieke kerk (Amsterdam 2011) maar de uitgebreide en veel duurdere versie hebben we niet nodig omdat de uitbreidingen op internet te vinden zijn: www.onderzoekrk.nl, zoals het rapport ook vermeldt. Via internet is ook nog een betrouwbare samenvatting te downloaden, maar zelfs dat stuk van een blz. of 25 is klaarblijkelijk amper gelezen. Ter oriëntatie een overzicht van de bestede ruimte in het rapport aan de hoofdonderwerpen: Inleiding 19 bladzijden, In vogelvlucht: ontwikkelingen in Nederland en in de Nederlandse Rooms-katholieke Kerkprovincie 29 bladzijden, Aard en omvang van seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-katholieke kerk in Nederland 28 bladzijden, Misbruik als bestuurlijke aandachtspunt 123 bladzijden. De slachtoffers 62 bladzijden en Bevindingen en aanbevelingen 22 bladzijden.
Het onderzoek van de commissie is van goede kwaliteit, in aanmerking genomen de beschikbare tijd en de gecompliceerde problematiek, dus van zo goed mogelijke kwaliteit. Zoals de commissie zelf ook regelmatig opmerkt is de deur opengezet naar verder en ook beter onderzoek, en dat is ook hard nodig. De commissie moest wel grijpen naar de methode van een survey-onderzoek, dat in technisch opzicht bekwaam uitgevoerd kan zijn, maar het blijft een tamelijk zwak onderzoeksinstrument, namelijk een veredelde enquete. Andere onderzoeksmogelijkheden waren er (nog) niet.
De commissie hanteerde een vijftal onderzoeksbronnen: er waren 2026 meldingen (1) van seksueel misbruik in katholieke kring waarvan er 1795 tot de te onderzoeken groep konden worden gerekend. Uiteindelijk werd het onderzoek gericht op 774 meldingen, waarvan 322 van de Stichting Hulp&Recht en 4 van de commissie Samson: Het gemelde misbruik begon tussen 1936 en 2002 en eindigde tussen 1945 en 2006. De periode waarover het meest frequent gemeld werd zijn de jaren vijftig en zestig en het begin van de jaren zeventig (ongeveer 80 procent). Dus de periode 1950-1972. Vanwege onduidelijke en onvolledige informatie zijn de 774 meldingen (ook 774 personen?) geënquêteerd (2). Misbruik is voor 66% gekoppeld aan onderwijssituaties. Alles bijeen te weinig overtuigende informatie om bredere conclusies te kunnen onderbouwen, dus een survey-onderzoek (3) was nodig.
Door TNS NIPO werd een representatieve steekproef van 34.234 personen over hun jeugdervaringen . Respons 85%: 31.3 % daarvan meldde dat er sprake was van een katholieke opvoeding: daarvan had 4.7 % in een katholieke opvoedingsinstelling gezeten. Vervolgonderzoek (4) was gewenst om ‘jeugdervaringen’ scherper in beeld te krijgen (namelijk: seksueel misbruik). Dat vond plaats onder 2727 personen met een respons van 91% = 2482. Omdat 33% van de reacties inconsistent bleek werd ook hier nader informatie ingewonnen om tot duidelijkheid te komen. Naast dit onderzoek naar ‘telbaarheden’ was er archiefonderzoek en gesprekken met vele personen (5) en dat leverde uiteraard een bepaalde beeldvorming op. Alles wat haalbaar was, is uit de kast gehaald, maar het geheel is een wankel bouwwerk. Ik zou het de status willen geven van een exploratief onderzoek. Hulde voor al dit werk.
Het commissie Deetman heeft met goede bedoelingen twee taken vermengd die tot bepaalde hoogte uit elkaar gehouden moeten worden: 1. het produceren van een wetenschappelijk rapport en (reeds voor de vaststelling ervan) 2. zelf bepaalde hulpverleningsacties in gang zetten. Het kiezen voor de hulpverlening is zonder meer begrijpelijk, maar had beter gemarkeerd kunnen worden.
Algemene bevindingen
Uit deze survey komt de conclusie naar voor dat bijna 10 % van de Nederlanders van veertig jaar en ouder voor het achttiende jaar tegen zijn of haar zin seksueel is benaderd door een volwassen niet-familielid. De verschillen tussen de katholieke en de niet-katholieke wereld zijn gering. Bovendien: het gaat om meldingen van mensen van boven de 40 jaar en om misbruik door volwassen niet-familieleden/gezinsleden. Het probleem van het seksuele misbruik in het algemeen is dus waarschijnlijk veel groter dan wat de survey zegt. Deze bevinding zou alle aandacht moeten hebben.
Ook is uit de survey af te leiden dat bij kinderen en jongeren in instellingen de kans op misbruik 2 maal zo groot was als het landelijke gemiddelde, laten we zeggen een kans van 19 %. Het is dan interessant om de kans op misbruik te weten in gezinnen en families (beter gezegd: het thuismilieu). Hier kan dus meteen bij aangetekend worden dat het cijfer van 19% verlaagd moet worden, omdat niet vaststaat dat er geen seksueel misbruik zou hebben plaats gevonden als deze kinderen en jongeren niet in een instelling hadden geleefd. Seksueel misbruik door gezinsleden en familieleden is niet meegenomen in dit onderzoek.
Uit de gegevens van alle bisdommen en 65 ordes en congregaties gedurende circa 50 jaar bleken 769 personen als dader aan te merken, van wie er in 2011 nog 105 in leven waren. De commissie concludeert terecht dat grensoverschrijdend gedrag jegens minderjarigen zonder enige twijfel plaats vond binnen de Rooms-Katholieke Kerk (ook bevestigd door archiefonderzoek), maar dit maakt deel uit van een aanmerkelijk breder maatschappelijk verschijnsel met een hoge prevalentie (9,7%). Seksueel misbruik van minderjarigen door functionarissen binnen de Room-Katholieke Kerk heeft een aanzienlijk lagere prevalentie.
.
Maar de commissie zegt ook dat de kans dat een in het rooms-katholiek geloof opgevoede minderjarige die in een van de genoemde instellingen zat door iemand die werkzaam was binnen de Rooms-Katholieke Kerk (binnen de instelling of parochie) ongewenst seksueel benaderd werd – vergeleken met een minderjarige die niet in een van de genoemde instellingen zat –zesmaal groter is geweest. Als we deze stelling omkeren dan wordt duidelijk hoe weinig hier gerapporteerd wordt: de kans dat een niet-katholiek kind dat niet in een katholieke instelling gewoond heeft door een medewerker van de Katholieke Kerk is misbruikt is ongeveer 0. Maar de kans op misbruik elders was bij deze kinderen even groot.
Een aantal slachtoffers dat volgens het survey-onderzoek vermoedelijk ligt tussen 10.000 en 20.000.Als de aandacht exclusief wordt gericht op ernstige vormen van seksueel
misbruik (penetratie) kan het totale aantal worden geraamd op ruwweg enkele duizenden.
Het gemiddeld aantal slachtoffers per pleger is evenwel onbekend, zegt de commissie. Het aantal daders gedurende ongeveer 50 jaar wordt geschat op 769; dit aantal delen op het aantal situaties van misbruik en ernstig misbruik is niet zo moeilijk, zou je kunnen zeggen. Er is hier waarschijnlijk veel aan de hand. Het rapport gaat op deze ongetwijfeld ingewikkelde problematiek niet in. Nog groter is de omissie dat de gevonden en geschatte situaties van misbruik niet afgezet worden tegen de populaties van kinderen die in de instellingen ondergebracht waren. Dit maakt ook het vergelijken van misbruik in de instellingen hachelijk: 10 gevallen van misbruik op 100 of 1000 kinderen/leerlingen maakt nogal wat uit.
Bestuurlijk optreden
Het gedrag van de kerkelijke bestuursorganen is in de media over het algemeen vertekend ten tonele gevoerd.. Ik stip hier vier gezichtspunten aan die helpen om een genuanceerd beeld van de situatie te krijgen. In de katholieke Kerk in Nederland werkten vernieuwingsgedachten sterk door (1), er was een externe zwijgcultuur (2), maar intern werd er wel veel ondernomen (3) en zowel het Rapport als de media onderkennen niet de essentie van de zogenaamde ‘fragmentering’ (4) .
Het nieuwe denken in de Kerk
De katholieke kerk, zeker ook in Nederland, heeft zich op het wereldtoneel na de Tweede Wereldoorlog progressief opgesteld. De ideeën van het Tweede Vaticaans Concilie Rome 1962-1965 werden in brede kring aanvaard en omgezet in beleid en gedrag. Het Pastoraal Concilie Noordwijkerhout 1968-1970 stelde de vernieuwingen scherp in het licht. Een meerderheid in de kerkprovincie sprak zich uit voor de ontknoping van priesterambt en verplicht celibaat. Er kwam ook een verschuiving van een hiërarchieke naar een individu-gerichte aanpak van psychische problemen. Ook bisdommen, congregaties en ordes gingen in deze ontwikkeling mee. De eisen die leden van ordes en congregaties aan hun bestuurders stelden, waren gebonden aan de tijd en aan de omstandigheden waarin de gemeenschap zich toen bevond, constateert het Rapport, en verder: Persoonsgericht besturen leidt erg gauw tot het in de mist gaan van het verschil tussen begrijpen en goedkeuren. Het besturen werd eigenlijk ontkracht omdat de principes van zakelijke en persoonlijke benadering onhanteerbaar vermengd werden. Begrenzen van problemen is dan erg moeilijk. En even verderop constateert het Rapport: Dit was de keerzijde van de democratisering van bestuurlijke verhoudingen in ordes en congregaties. En die keerzijde geldt voor vele organisaties (zoals universiteiten) die gedwongen waren van koers te veranderen.
Externe zwijgcultuur
De zwijgcultuur-extern is duidelijk aangetoond, maar die cultuur was altijd al bekend, en niet alleen bij katholieke instellingen en ook niet alleen in voorbije tijden. Dat media ‘openheid en openbaarheid’ nobel vinden, lijkt me even logisch als dubbel. Ik citeer nu even de commissie terwille van een duidelijk inzicht in wat het rapport zegt: In parochies, maar bijvoorbeeld ook in tal van katholieke schoolbesturen en ziekenhuisdbesturen, heerste de overtuiging dat men er goed aan deed de bisschoppen zoveel mogelijk op afstand te houden. De onderzoekscommissie constateert ook dat tot aan de jaren 1990 het seksuele misbruik geen agendapunt was voor het overleg van de gezamenlijke bisschoppen. Hoe dom en ongelukkig de uitspraak van A. Simonis Wir haben es nicht gewusst ook was, dat het een doortrapte leugen was, is waarschijnlijk niet waar. Bovendien…….hoeveel politieke, bestuurlijke en bankaire personen hebben we de laatste jaren niet gezien die zich niet meer konden herinneren hoe iets 10 jaar geleden gegaan was. Bisschoppen hebben natuurlijk te maken gehad met wantoestanden, maar hadden geen beeld van de totale situatie.
Wat deed men binnen de eigen organisatie wel?
De toestanden in de Tweede Wereldoorlog hadden de zeden in de kloosters losser gemaakt: denk maar aan de vaak gebrekkige en gedwongen huisvesting. De ‘goede geest’ had geleden, vonden veel kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders. De situaties van de kloosters in oorlogstijd en de wijze waarop de bezetter daarmee omging is nog een te onderzoeken terrein.
Belangrijk is het Rapport Bless (die pastoor was in Oerle) uit 1953 dat rapporteerde over de opvang van probleempriesters, waarin o.m. de opvang in de psychiatrische inrichting Sint Servatius in Venray aan de orde kwam. Geneesheer-directeur was daar F.M. Havermans (1907-1984) die in 1953 het boek Over criminaliteit onder katholieken publiceerde, nadat in 1952 het Katholieke Nationaal Bureau voor Geestelijke Gezondheidszorg was opgericht.
Bestuurders van katholieke instellingen stuurden hun probleemgevallen zowel naar vrijgestelde katholieke psychiaters als naar Rooms-Katholieke psychiatrische inrichtingen. Ze speelden daarbij open kaart. Huize Padua in Boekel was van oudsher de instelling waar priesters, paters en mannelijke religieuzen, die om welke reden dan ook niet in hun functie gehandhaafd konden worden, geplaatst werden. De Onderzoekscommissie concludeert op basis van het archiefonderzoek dat van een zwijgcultuur rond seksueel misbruik inde rooms-katholieke gemeenschap op bestuurlijk niveau in de jaren vijftig feitelijk geen sprake was.
De kerkelijke organisatie
Bestuurlijk gezien is in de Room-Katholieke kerk van Nederland van centrale aansturing slechts beperkt sprake, constateert de commissie enigszins onnozel want ze zegt ook dat dit geldt voor alle kerkprovincies wereldwijd. Een gefragmenteerde bestuursstructuur, aldus het Rapport, is het resultaat. Dat de kerkelijke functionarissen hier in de media nogal timide op wezen, werd hen niet in dank afgenomen, maar ze citeerden letterlijk het Rapport.
Opvallend was ook het gebrek aan kennis van zaken over de scheiding van kerk en staat, eeuwenlang bestaande en erkende rechtssystemen van staten en kerk, en het ontbreken van informatie daarover. Vrijwel voortdurend werd de Kerk voorgesteld als een internationale onderneming met een centraal gemanaged personeelsbeleid. De topmanager was dan de Paus, die alles aangerekend moest kunnen worden. Tegelijk werd een ‘wenselijke’ situatie gesuggereerd, namelijk een Kerk die ondergeschikt was aan politiek, overheid en rechtspraak in elk land. Het gaat hier om de vraag hoe grondrechten van mensen zo goed mogelijk gewaarborgd kunnen worden; zonder boven-nationale religieuze en culturele instituties gaat dat niet. Gebrek aan historisch inzicht en algemene ontwikkeling kwamen op dit punt pijnlijk naar voren. Enkele aanbevelingen in de Rapport betreffen een bepaalde mate van centralisatie van activiteiten van Kerkelijke organisaties in ons land. Een doorbreking van dit soort ‘fragmentarisatie’ lijkt verantwoord en haalbaar.
Berichtgeving in de media
Opvallend is dat in de meeste media-activiteiten gekozen werd voor de nadruk op 20.000 en op de suggestie van een aanzienlijk kortere periode dan ongeveer 60 jaar. Gestreefd werd naar een zo eenzijdig mogelijke interpretatie van de cijfers, verder naar publieke schuldbekentenissen van de ‘leiders van de daders’ en zoveel mogelijk openbaring van concreet slachtofferleed. Nergens bleek dat het rapport of de samenvatting ervan werkelijk gelezen was en een referentiekader vormde. Op radio en TV werd onderzoekers en kerkelijke opdrachtgevers een minimale kans te geven hun visie te geven, dit in een wanverhouding met de gretigheid waarmee melders en slachtoffers het woord kregen. Alleen al het tellen van onderbrekingen geeft aan met hoeveel gebrek aan professionaliteit het werk werd verricht.
De reeds bekende belichtingen van de kwestie werden voortgezet, in een aantal gevallen met nieuw fanatisme. Men continueerde oud nieuws.
Vooral de NRC heeft een dominante rol gespeeld in de aanhoudende berichtgeving over seksueel misbruik in en door de katholieke kerk. Joep Dohmen kreeg werkelijk alle ruimte. Hij had het rapport mogen inzien, zei hij bij Pauw en Witteman, tamelijk timide. Hij wist namelijk dat zijn journalistieke documentaire wel klopte, maar ook dat deze verzameling wetenschappelijk gezien ernstig tekort schoot om de omvang van de beschuldiging staande te houden. Het rapport Deetman zette zijn documentaire namelijk in een ander en kritischer daglicht. De hoofdredactie van de NRC, die het rapport wel bestudeerd bleek te hebben, moet grote twijfels gekregen hebben aan de integriteit van de wijze van informeren van de krant.
Het hoofdredactioneel commentaar (van 17 december 2011) op het rapport is het bewaren waard. Maar op 31 december werd het boek van Dohmen in een eigen advertentie van de NRC aangeprezen als hèt boek over misbruik in de kerk en wordt het volgende meegedeeld : Het eindrapport van de commissie Deetman bevestigt de bevindingen van Dohmen. De commissie zegt echter (p.76): “Het beeld van seksueel misbruik in de Rooms-Katholieke Kerk dat in de media is opgeroepen is vertekend. ( ) Ook het beeld dat waar zulk misbruik in de Rooms-Katholieke Kerk voorkomt het vrijwel uitsluitend binnen onderwijsinstellingen heeft plaats gevonden kan niet worden bevestigd”.
Wat hier van de NRC gezegd wordt kan verbreed worden tot het volgende probleem: in de media ontbreekt de tijd voor onderzoek (en dat valt vooral op in nieuws-shows op de TV), deze tijd wordt zoveel mogelijk terwille van winst- en kijkcijfers ingeperkt, en de media die zich wel een en ander kunnen permitteren moeten selecteren, en doen dat op een wijze die niet te volgen is. Misschien levert archiefonderzoek wel op hoe de keuzes gemaakt worden. Bestuurders, managers, raden van commissarissen en aandeelhouders worden in het openbaar zelden of nooit aangesproken op de gevolgen hun beleid. Blijft staan dat we wat er wel gebeurt toch moeten toejuichen, ook als het door de Telegraaf gebeurt, want als dit niet gebeurt is de bevolking massaal de klos en wordt er nog harder gelogen en bedrogen dan nu het geval is. We moeten het dus doen met een middelgrote waakhond, die graag berichten afwacht van klokkenluiders en opiniepaginaschrijvers.
Merkwaardig in de selectie van de media is deze keer het weglaten van kanttekeningen bij de Rapport-auteurs Wim Deetman, Nel Drayer, Pieter Kalbfleisch, Harald. Merckelbach, Marit Monteiro en Gerard de Vries. Nu werd er geen ouder nieuws uit de computer getoverd. Hoewel met betrekking tot het thema er wel een verband te leggen is met activiteiten van Kalbfleisch (mogelijk zelf verwikkeld in het verzwijgen van een pedofiliezaak) en Monteiro (die in haar publicaties over kloosters voorbij ging aan seksueel misbruik of deze niet zag of kon zien), is het juist dat het resultaat van het werk van deze commissie niet belast werd met bedenkingen van deze aard. De media toonden hier een soort wijsheid en nobelheid die echter met betrekking tot andere aspecten ver te zoeken was. Deetman zelf kan het beste zelf tijdig zijn onkostenvergoeding bekend maken, voordat muggen weer in korte tijd tot olifanten evolueren..
Slachtoffers helpen
Minstens zo ernstig was in de media het gebrek aan inzicht in de identiteit van slachtoffers en de soorten slachtoffers en degenen die wel misbruikt werden maar geen slachtoffer werden. Alles bijeen een genant geheel van vertoningen. Aan het Rapport Deetman kan het niet gelegen hebben. Het meldt dat het misbruik in de Katholieke Kerk procentueel gering was, en dat de oorzaak van klachten zich niet eenvoudig laat vaststellen en dat onderzoek naar de samenhang tussen seksueel misbruik en psychische symptomen in methodologisch opzicht uiterst moeilijk is. Het rapport bevat geen analyse van de terminologie in verband met seksueel misbruik; wel zegt het dat het in het onderzoek gaat om misbruikervaringen die uiteenlopen van zeer licht tot ingrijpend. En diverse keren brengt het Rapport naar voren dat seksueel misbruik van minderjarigen breed voorkwam en voorkomt in de Nederlandse samenleving en dat op spreken over seksueel misbruik van minderjarigen tot het eind van de jaren tachtig in de hele Nederlandse samenleving een taboe rustte.
Bij de Stichting Hulp & Recht waren eind 2011 circa 2100 meldingen binnengekomen, waaronder 600 klachten van 500 klagers. De afhandeling tot nu toe is dat ongeveer 50% van de uitspraken ten gunste van de indiener van de klacht is. De commissie beveelt mediaton aan en ziet lotgenotenorganisaties als integraal onderdeel van de hulpverleningsketen, een keten van organisaties die financiële en morele steun moeten krijgen. De genoegdoening wordt aangepakt op basis van het Rapport Lindenbergh. De onderzoekscommissie benadrukt overigens dat de erkenning van een klacht niet per definitie gelijkgesteld moet worden aan schuldbekentenis.
Bij het punt van de hulpverlening is er een valkuil die zeer moeilijk te vermijden is, namelijk het vaag houden van het verschil tussen 1. therapie en 2. bemiddeling i.v.m. tegemoetkoming schade. Therapie is een zaak van wetenschappen die zich met ontwikkeling en welbevinden van mensen bezighouden (pedagogiek, psychologie, psychiatrie, sociologie, neurologie etc.) en genoegdoening is een juridische en economische zaak. Dat zijn in een democratie gelukkig twee gescheiden circuits, die af en toe wel met elkaar in verband gebracht kunnen en moeten worden. Als dit onderscheid en verschil in gesprekken niet duidelijk gemaakt wordt en onhelder blijft, mislukken ze niet meteen, maar op termijn kan er een rekening gepresenteerd. In een rechtstaat zijn slachtoffers nooit de rechters van de daders.
Een pedagogische zienswijze op de meldingen ontbreekt in het Rapport: wanneer ontwikkelen slechte ervaringen zich tot een levensprobleem. Het constateert echter terecht dat dit in gevallen van lichamelijk geweld en aanranding bij voorbaat duidelijk geacht moet worden, evenals bij langduriger geestelijk geweld, namelijk machtsmisbruik. Mediaton en het werk van lotgenotenorganisaties als integraal onderdeel van de hulpverleningsketen, zoals de commissie aanbeveelt, gaat echter in een aantal situaties (die we getraumatiseerd kunnen noemen) niet werken. Juist de groep slachtoffers die relativerend kan omgaan met het eigen leed, dat aangedaan is door het instituut en de organisaties van de daders, kan er wel baat bij hebben. En dat moet herleid worden tot een soort eigen kracht van het slachtoffer zelf, namelijk zichzelf in voldoende mate uittillen boven wat ooit gebeurde. Wie dat niet kan opbrengen kan niet door de ‘dader’ van zijn probleem afgeholpen worden. Daarvan voordeel en genezing genieten zou immers een tweede onderwerping aan een systeem betekenen dat het leed veroorzaakt Dat kan eerder verergerend werken dan genezend, uiteraard na verloop van tijd. In een aantal gevallen is dus de gekozen richting van hulpverlening verkeerd.
Een slachtoffer dat zich slachtoffer voelt van een systeem kan moeilijk door of via dat systeem genezen worden, ook niet als er 100 keer professionele bemiddeling georganiseerd is. Er zijn twee mogelijkheden. De eerste is de menselijke mogelijkheid van ‘niet vergeten maar wel vergeven’, maar binnen het huidige klimaat lijkt de kans daarop zeer gering; deze mogelijkheid kan met veel hoon omgeven worden. Energie van de haat zal op geen enkele manier baten. Maar energie van de vergeving kan iemands leven op een positieve manier veranderen, omdat ermee een grootmoedigheid (grote moed dus) getoond wordt die geneest. Ook is mogelijk om afstand te nemen van een systeem en welbewust te kiezen voor een levensovertuiging die anders is. Een dergelijke keuze toont ook kracht en moed, en werkt uiteindelijk harmoniserend. Het is de vraag of deze keuze buiten de Katholieke Kerk moet liggen. Een voordeel van een gefragmenteerde Wereldkerk is immers, dat het vinden van een creatieve stek binnen dat geheel mogelijk is.
Politiek en overheid
We kunnen wel met zekerheid zeggen dat de vraag van Deetman Wat is er met ons land aan de hand? zeer terecht is. De brede poging om deze kwestie te isoleren naar en te parkeren bij de katholieke kerk zal als een boemerang in de Nederlandse maatschappij uitwerken. Vooral in de media werd voorbij gegaan aan de maatschappelijke situatie in de periode 1945/1950 -1975/1985, noch werd doorgedacht op de maatschappelijke gevolgen van vrije meningsuiting gebaseerd op effectbejag.
Wir haben es nicht gewusst? Seksueel misbruik was tot de jaren negentig geen trefwoord, zegt de commissie, met weinig oog voor wat er wel was. Natuurlijk waren er gevallen van seksueel misbruik uit en te na bekend: Theo Vesseur publiceerde in 1956 zijn roman Een boek zonder Liefde, dat ook nu nog als een verslag kan gelden van wat slachtsoffers meemaakten. We weten niet hoe het met Vesseur na 1954 gegaan is toen hij zijn boek voltooide. Bij goed historisch onderzoek is er natuurlijk veel meer te vinden. De commissie had echter niet alleen moeten redeneren vanuit het huidige trefwoord ‘misbruik’ en de interpretatie daarvan in de huidige meer repressieve cultuur, maar vanuit opvattingen over seksueel gebruik die in die periode verkondigd werden.
De gedachten daarover lagen in de zwaarste misbruikperiode (1950- 1972) erg anders dan in de periode voor de Tweede Wereldoorlog en gedurende de laatste decennia. Zo werd in 1971 de afschaffing van het strafrechterlijk verbod op homoseksuele contacten met minderjarigen ingevoerd, merkt het Rapport op. Homoseksuele pedofilie kon dus wettelijk toegestaan zijn. Dit kon zo gebeuren omdat de lijn naar pedofilie toen nog niet expliciet doorgetrokken werd. Jaren eerder werd vooral in kringen die we progressief noemen openlijk gepleit voor de gezondheid van pedofilie. Het rapport stelt dat de grens van seksuele tolerantie in die kringen in de pedoseksualiteit lag, maar dat is een wat te mooie waarheid. Ook het onderdrukken van pedofiele gevoelens zou een gevolg zijn van een repressieve maatschappij die in stand gehouden werd door de combinatie van kapitaal en kerk. Een jaar of 10 na deze periode kwam er een omslag in dit denken.
Het is wel begrijpelijk dat een aantal ‘magistraten’ daar nu maar liever het hoofd van wegdraait. In allerlei documenten in progressieve kringen werd pedofilie als ‘zou moeten kunnen’ voorgesteld. Laat ik dat toelichten met een beklemmend voorbeeld: de pedofiel Sytze van der Velde die in 2011 wonen in Eindhoven verboden werd en die tot nu toe in ons land nergens een herberg kon vinden. Hij kwam in 1981 met het boek Wat doe jij met mijn kind?, met daarin een bijdrage van de sociaal-psycholoog Theo Sandfort over de volgens Prof. Dr. M. Zeegers ‘dubieuze onzin van die verboden’. Achterin staat een literatuurlijst van ruim 30 publicaties waarin pedofilie open en welwillend wordt besproken. Het kan verkeren. Deze sfeer in verband met vrijere sexualiteit inclusief pedofilie ging ook niet voorbij aan parochies, kloosters, scholen, jeugdbeweging en sportwereld.
Vanaf 1950 bestond er op het departement Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen een toenemende zorg over het aantal ontzeggingen van de onderwijsbevoegdheid die het uitvloeisel waren van ontucht door onderwijzers met minderjarigen. Die zorg ging gepaard met ongerustheid over uitvoering van de bestaande regelgeving. De onderwijsinspectie kreeg daar een belangrijke registrerende taak. (Het departement had weinig vertrouwen in het toezicht en de handhaving van gemeenten en provincies.) In 1963 werd het Rapport Van Kempe uitgebracht waarin automatische ontneming van de onderwijsbevoegdheid werd bepleit die in 1974 werd ingevoerd. Was dat zo, omdat men ook daar niets wist? Wat betreft het onderwijs als branche met relatief veel misbruik, moet geconstateerd worden dat uitbreiding van het onderwijs in tijd, bijvoorbeeld met kinderopvang, de kans op misbruik doet toenemen, maar een dergelijke mogelijkheid zal waarschijnlijk ook weer achteraf onder ogen gezien worden.
Het Rapport beperkt zich tot seksueel misbruik en dat wordt terecht ook in verband gezien met machtsmisbruik. Er zijn echter allerlei vormen van machtsmisbruik zonder seksueel misbruik die geestelijke beschadiging met zich mee brengen en een harmonische ontwikkeling van kinderen tegenwerken en zelfs kunnen blokkeren. Het onderscheid tussen werkelijk en verondersteld machtsmisbruik zal moeilijk zijn , evenals het onderscheid tussen ervaring en inbeelding. Heel wat beroepen die gericht zijn op omgang met kinderen kunnen in een bepaald maatschappelijk klimaat via mediageweld onder meedogenloze kritiek gesteld worden. Beroepen met een hoog risicogehalte: de strengere leraar, de hardere sporttrainer, de kort aangebonden arts, de verbiedende opvoeder en de rechtlijnige wijkagent.. Is een dergelijke ontwikkeling mogelijk in de toekomst?
Laten we hopen dat zulke uitwassen zich nooit voor zullen doen. In de huidige fase (1990-2020) is er vaak een diep (?) gewortelde haat tegen de Katholieke Kerk, een haat die blind is voor de constructieve kenmerken van deze organisatie en voor de verdiensten van Christendom en Katholicisme. Maar daar zit misschien ook wel de kern: de activiteiten van de katholieke kerk op het terrein en bestrijding van maatschappelijke en mondiale problemen gebeuren vanuit een ander economisch gezichtspunt dan de liberaal-kapitalistische en staatskapitalistische doctrines. De katholieke sociale leer is bedreigender dan ooit voor degene die streven naar (in stand houding van) een zeer ongelijke verdeling van welvaart. Wie dit anders ziet, moet dat zeker zeggen.