[Terug naar hoofdpagina] [Contactgegevens]
MIST RONDOM MYSTIFICATIE
Het tijdschrift In Brabant is de opvolger de voormalige
tijdschriften Brabants Heem en Noordbrabants Historisch
Nieuwsblad. In het julli-augustusnummer 2006 van dit laatste
tijdschrift verscheen een fel artikel van Prof. Dr. Gerard
Rooijakkers met medewerking van Prof. Dr. Arnoud-Jan Bijsterveld en
Drs. Jan Brouwers over een boek van de Bredase kunsthistoricus Eric
Dolné. Dat boek handelde over de geschiedenis van het bisschoppelijk
paleis in Breda. Het drietal haalt vernietigend uit naar Dolné. Hij
haalt allerlei bronnen aan waarvan het twijfelachtig is of hij ze
zelf uit de eerste hand heeft geconsulteerd, erger nog: hij heeft
bronnen gefingeerd en niet bestaande teksten vervalst, dus verzonnen
en eigenhandig geproduceerd. De door Dolné geproduceerde teksten (
er staat een bepaalde bladzijde afgedrukt) kloppen taalkundig niet.
Dit druist in tegen de regels van het vak (historicus), zeggen beide
hoogleraren. In enkele media was er even een storm, vooral in
Dagblad De Stem. En daarna werd het in het openbaar erg stil. In het
september van het Noordbrabants Historisch Nieuwsblad verscheen een
lange open brief van Eric Dolné aan Gerard Rooijakkers en een korte
reactie van Rooijakkers.
Een zwak ontwijkend verhaal van Dolné, wel met een dreigement op het
einde en een gemakkelijke reactie van Rooijakkers die eindigde met
een andere diskwalificatie van Dolné. Daar eindigt de publiciteit.
Er kwam een geruchtenmachine op gang. Beide hoogleraren
zouden er goed naast gezeten hebben, Rooijakkers was ontslagen bij
de UVA en het Meertensinstituut (hij was er inderdaad niet meer te
vinden) en in telefoongesprekken zou een en ander bijgelegd zijn. Vreemd aan die geruchten was echter dat Dolné, als hij
inderdaad vals
beschuldigd zou zijn, geen rectificatie eiste of een andere genoegdoening.
verkreeg. Dat is toch wel het minste in dat geval, ook al zou de
mystificatie anders in elkaar zitten dan verondersteld.
Ik stelde de redactie van In Brabant voor om aan de geruchten een eind te maken door over de afloop van de affaire een bericht te publiceren. De redactie van In Brabant liet echter weten dat ze er weinig voor voelde ‘om die hele kwestie weer op rakelen’. Het verleden oprakelen is nu juist de taak van historici en archeologen, maar waarom termen als ‘die hele kwestie’ en ‘weer’ ?; het ging toch om één kwestiemet een zware beschuldiging. En er was nog nooit iets opgerakeld na 2006. Is het niet correct om lezers die je met een zaak geconfronteerd hebt ook in te lichten over vervolg en afloop? Dat hoeft toch niet op de wijze van ‘de hele kwestie oprakelen’. Gewoon nuchter de feitelijk gang van zaken na de publicatie van het artikel aangeven. Dat dat inderdaad goed mogelijk is, bleek vervolgens uit een toelichting die ik kreeg van Arnoud-Jan Bijsterveld, redactielid van In Brabant.
De beschuldiging in het artikel in het Noordbrabants Historisch
Nieuwsblad blijft staan. Dolné heeft gewerkt met vervalste
bronnen, van anderen of van hemzelf. Hij overtroefde daarmee een wel
op de werkelijkheid gebaseerd onderzoek van Jan Brouwers. De
voormalige redactie van De Oranjeboom, die verantwoordelijk
was voor de publicatie van het boek van Eric Dolné, was onkritisch
en goedgelovig geweest. Dolné verdween uit de redactie en ook de
redactievoorzitter trad terug. Met deze persoon had Bijsterveld wel
een vinnige e-mailwisseling gehad die niet tot overeenstemming
leidde. De Oranjeboom heeft daarna onder leiding van Frans
Gooskens en met Ton Kappelhof de juiste weg hervonden en het vertrek
van Gerard Rooijakkers bij het Meertens-Instituut staat los van deze
zaak, aldus Bijsterveld.
Het mystificatie-verhaal stemt op bepaalde wijze overeen met een
andere ervaring van mij. Voor een ander tijdschrift werd mogelijke
kopij uit de kring van Eric Dolné besproken, waarbij aan de orde
kwam dat er een bepaald document in Echternach te vinden zou zijn
dat van groot belang was voor de beschreven visie/hypothese.
Herhaaldelijk navragen om dat document daadwerkelijk te laten zien,
haalden niets uit, dus werd besloten het onderwerp te laten rusten
in het rijk der fabelen. Op dit moment rest alleen de vraag waarom
In Brabant naar de lezers niet op een goede manier het
vervolg schetste. Dat Eric Dolné c.s. het verstandig vond om de zaak
te laten rusten, is begrijpelijk. Maar dat In Brabant niet
uit eigen beweging integer op deze kwestie terugkwam (kort en bondig
en met medeweten van Dolné) blijft ook een vreemde zaak als je
redeneert vanuit lezers met een tamelijk goed geheugen.