[Terug naar hoofdpagina] [Contactgegevens]
INNOVATIE EN VERBETERING VAN ONDERWIJS
Op zoek naar een innovatie-arrangement
Je kunt over innovatie communiceren op een manier die vrijwel geheel los staat van de werkelijke praktijk van de maatschappelijke onderneming die onderwijs heet. Los gezongen van de onderwijswerkelijkheid. Dat lijkt het geval met de nota Innovatie in het primair onderwijs: strategieën, ervaringen en aanbevelingen. Een literatuurstudie naar werkzame principes van Peter Sleegers en Guuske Ledoux (SCO-Kohnstamm Instituut z.j.). Deze literatuurstudie is het antwoord op de vraag naar een integraal plan voor de stimulering van innovatie in het basisonderwijs. Zo’n plan moet er komen, zeggen de auteurs, omdat de overheid niet langer centraal de koers voor verandering in het onderwijs wil ontwerpen en regisseren, maar deze koers wil overlaten aan de onderwijsprofessionals zelf. Dit alles geheel in lijn met het verhaal van de autonome school en de overheden die terugtreden in het belang van de zelfverantwoordelijke burgers en professionals. Puur democratiebevorderende processen! Scholen zijn zelf spelbepalers, vertellen allerlei goedgelovige en dus bruikbare onderwijsklerken. Ik zie het anders: de overheden zijn niet in staat om op de wijze van de democratie overtuigend beleid te maken, dat lukt veel beter op indirecte manieren (via controle op verantwoording en verandering van bestuur en management), maar ze willen vanzelfsprekend wel allerlei zaken blijven besturen en beheren (onderwijsresultaten, toegankelijkheid van het onderwijs, arbeidsmarkt onderwijsgevenden en geld). De school krijgt een speelveldje in sfeer van de inrichting van het onderwijs: daar was al veel vrijheid, zeker voor wie haar wou nemen, en die neemt wel wat toe. Op dat vlak is er sprake van bepaalde autonomie. De auteurs van de studie gunnen zich op dit terrein niet enige reflectie (daar worden ze ook niet voor betaald), dus gaan ze ijverig aan de slag om eerst drie hoofdstukken vol te schrijven met de ene open deur na de andere. Hier zijn er enkele: er zijn verschillende vormen van vernieuwen in het onderwijs, de ene school is de andere niet, tegenover externe ontwerpen staan uiteraard interne ontwerpen, er zijn dus heel verschillende vormen van innovatie. Er staat in dat deel van de studie wel een interessante uitspraak, namelijk deze: Als niet de prestaties van leerlingen maar de veranderingscapaciteit van de school als de maat voor succes het uitgangspunt vormt, worden uitspraken over ‘wat werkt’ veel meer veelvormig. Als we de visie op goed onderwijs op deze wijze veranderen dan is een stevige basis gelegd voor losgezongen onderwijskunde en losgezongen bestuurders, managers en advisueurs. Zouden de schrijvers van deze studie deze kant opgaan, of toch niet?
Na deze impotente passages biedt hoofdstuk vier enige opflakkering. Er worden namelijk drie vormen van leren onderscheiden. Boeiend, want onderscheiden is nu eenmaal een kunst die de achtergrond van het denken indiceert. De drie vormen zijn:
- Leren van eigen ervaringen
- Leren van en met elkaar
- Leren van en met experts.
Een soort leersociologische indeling, die helder oogt en hanteerbaar is (vanuit het denken in de onderwijspraktijk) en ook - mede vanwege de volgorde- sympathiek overkomt. Deze indeling wordt toegelicht en hier zou ik willen spreken van halfopen deuren, deuren van een paardedestal of hordeuren, zal ik maar zeggen. In een depressieve onderwijswolk zijn er wat vonkjes en lichtstraaltjes gekomen.
En dan komt er iets goeds: in de bijna zes bladzijden van hoofdstuk 5 (Op zoek naar mogelijke invullingen: een innovatiearrangement) wordt een samenhangend en inspirerend kader geschetst. Dat komt vooral omdat het primaire proces centraal wordt gesteld (= een betekenisvolle inhoud) en dat daaromheen gedacht wordt aan de drie onderscheiden vormen van leren die nu omgetoverd zijn in strategieën, namelijk:
- de basisstrategie: leren van eigen ervaringen
- de breedtestrategie: leren van en met elkaar
- de dieptestrategie: leren van en met experts.
Het is momenteel weer toegestaan om te erkennen dat leren vooral ook een individueel proces is: jarenlang was dit eeuwenoude inzicht taboe en was alle leren samen leren, dus eigenlijk teamleren. Maar ja, terwijl teams soms niets leren worden de individuele leden vaak een stuk wijzer. Laten we deze evolutie maar een sprong voorwaarts noemen. Personen kunnen in teamverband (samen met anderen) uiteraard tal van nieuwe ervaringen opdoen en dus veel leren. Van een deskundige iets leren kun je ook niet helemaal uitsluiten, zoals werkelijk elk mens weet van driejarige leeftijd. Het onderscheid in drie strategieën is makkelijk onderuit te halen door te wijzen op allerlei situaties dat de indeling door elkaar loopt en dus niet discrimineert. Maar het is wel waardevol omdat je er in de praktijk van het onderwijs mee kunt werken.
Het plaatje is nog iets fraaier te maken.
| Basisstrategie Leren van eigen ervaringen COMPETENTIES van personen |
De dieptestrategie EXPERTS DAAR WAAR ZINNIG EN NODIG - schoolintern - binnen samenwerkingsverbanden van scholen - schoolextern |
| Breedtestrategie Leren van en met elkaar KWALITEITSVERBETERING |
En zo eindigt deze studie van Guuske Ledoux en Peter
Sleegers toch nog met zoveel sprankeling dat aandacht voor hun boodschap
aanbevolen kan worden.