logo

[Terug naar hoofdpagina] [Contactgegevens]

Politieke Vernieuwing en Verbetering


Al enige tientallen jaren zijn er in Nederland kabinetten die een (gematigd) VVD-programma uitvoeren. Aan een liberalistische koers (onder meer de afbouw van de verzorgingsstaat en de zorgzame samenleving) is door alle grote politieke partijen meegewerkt, in bepaalde opzichten terecht. Van de Bijstandswet bijvoorbeeld, de WAO en de AWBZ werd helaas ook op grote schaal misbruik gemaakt. Zoals gewoonlijk slaat de balans na een heroriëntatie door, eenzijdigheid is nu eenmaal het kenmerk van middelmatigheid en het is kenmerkend dat politieke partijen in zo’n situatie weer graag hun ‘sociale gezicht’ willen laten zien. 

Na de ineenstorting van het communisme werd, ontstond steeds meer de idee dat er maar één serieuze economische en politieke richting zou zijn: de neo-liberale, die tevens ‘top-democratisch’ was. Deze koers werd onvermijdelijk en pragmatisch genoemd en voorgesteld als ‘ideologieloos’, het opportunisme in de politiek werd bevorderd. Kok komt de eer toe de deur naar het ideologieloze tijdperk verder te hebben geopend. En onder Balkenende wordt de liberale agenda stug en stoer afgewerkt, onder het motto: ‘Zo gaan we in dit land met elkaar om’. Maar al gauw werd duidelijk dat ‘ideologieloos’ helemaal niet praktisch, onschuldig, waardevrij en objectief was. De contouren van een kapitalistische ideologie werden in snel tempo duidelijker en één van haar kenmerken was dat zij steeds openlijker minachting en hardvochtigheid jegens burgers liet zien. Aan het ontwijken van bestuurlijke verantwoordelijkheid, gecombineerd met het scheppen van steeds meer toezicht wordt veel tijd en geld besteed. Overheden kruipen graag weg achter begrippen als ‘Europa’ en ‘globalisering’ en in de door hen zelf opgeroepen liberalisering verklaren zij zich machteloos, vooral als hen dat goed uitkomt. Na het wegstemmen van de Europese grondwet werd een beschamend hoogtepunt in politieke huichelarij bereikt. 

Vroeger ging een liberale visie op de economie vaak samen met conservatisme op andere terreinen, maar nieuw is nu dat die visie ook totalitaire maatregelen verdraagt en verdedigt. Op weg naar totalitair kapitalisme? Erich Fromm sprak ooit over technocratisch ‘fascisme met een lachend gezicht’. Dictatuur die we niet leuker kunnen maken? Deze mogelijkheid zou ik graag in deze bijdrage verkennen aan de hand van enkele actuele problemen.

Emancipatie van moslims
Eén van de prominente leden van de Nationale Conventie, een instelling die met ideeën moet komen om het vertrouwen van de burger in de democratie (= politiek en overheden) te herstellen, is de Groningse hoogleraar Frank Ankersmit. In verband met de geweigerde hand aan Verdonk meende hij in het Filosofisch Magazine van december 2004 dat er een patstelling bestaat tussen de verdedigers van de ‘Nederlandse cultuur’ en die van de islam. Afgezien van de vraag wanneer je een verschil moet typeren als een pat-stelling, lijkt het me goed om door te denken op zijn uitweg. Ankersmit komt met het thema ‘gelijke rechten’. Die zouden namelijk een probleem vormen, het probleem dat dergelijke rechten mensen ervan zouden weerhouden om te emanciperen. Je kunt je er ‘lekker’ achter verschuilen en er zelfs misbruik van maken. Daarom moet, volgens Ankersmit, het conflict tussen moslims en niet-moslims gepolitiseerd worden, omdat pas dan emancipatiestrijd mogelijk zou zijn. De immigranten, zegt Ankersmit, hebben nooit strijd hoeven te leveren, want zonder inspanning konden ze profiteren van wat eerder door anderen was bereikt. Er is dus een belangenstrijd nodig. Rechten dagen niet uit. Sterker nog: (gelijke) rechten zijn eigenlijk niet in het belang van immigranten, omdat kiezen voor rechten voor hen betekent dat ze eenzaam, zonder behoefte aan anderen, beschermd door die rechten, kunnen leven. 
In de benadering van Ankersmit vallen nog andere zaken op. Met veel gemak zet hij moslims generaliserend neer als verwende profiteurs en je kunt je afvragen of dat politieke taal is of dat zo’n uitspraak berust op onderzoek. Gewoonlijk fungeert het begrip ‘plichten’ als tegenhanger van ‘rechten’, maar in het filosofische vocabulaire van Ankersmit is dat begrip blijkbaar geschrapt. Omdat de overheid dergelijke taal niet mag gebruiken? Ankersmit pleit voor machtsvorming binnen en vanuit groepen immigranten en moslims om de emancipatiestrijd aan te kunnen gaan, maar ook omdat dan ‘de eigen achterban beter in de gaten gehouden kan worden’. Emancipatie als controle van burgers? De gedachten van Ankersmit worden logisch als een dergelijke controle het werkelijke doel is, de eerste zorg, en emancipatie daarvoor een handig middel. De huidige rechten kun je dan inderdaad zien als een sta in de weg. Het ontnemen van rechten aan burgers en het ontkrachten van die rechten zie ik toch als een groot ethisch, juridisch en politiek probleem, dat we niet mogen aanvaarden of waar tenminste ernstig over moet worden nagedacht. 

Solidariteit in de gezondheidszorg
Het nieuwe zorgstelsel is gericht op meer marktwerking en draagt bij aan solidariteit, zegt de overheid. Meer marktwerking wordt verdedigd als een voorwaarde voor het in stand houden van een voldoende mate van solidariteit. De burgers moeten dus in de handen klappen en in 2006 zullen tamelijk veel burgers dat inderdaad ook wel doen. Bij het zoeken naar hun (nieuwe) zorgverzekeraar kozen ze wel degelijk uit alternatieven en dat levert velen van hen in ieder geval dit jaar een lagere premie op. Veel burgers kozen overigens via organisaties (collectiviteiten) en konden daardoor een voldoende machtig front vormen jegens de zorgverzekeraars. De jaren van de waarheid als het gaat om de af te rekenen kosten moeten echter nog komen. En de grote vraag is of solidariteit in de gezondheidszorg dan inderdaad voldoende gewaarborgd is. Naar mijn mening is dat niet het geval. Solidariteit kan niet duurzaam bestaan als burgers kiezen met zichzelf (eigen belang) als criterium, een keuzeprincipe. En juist de invoering van dàt principe, dat natuurlijk door zeer velen onbewust al wordt gehanteerd, zal ingrijpender werken dan alle andere aspecten van het nieuwe zorgstelsel, dat overigens ook enkele verbeteringen bevat. Tegen zorg kan een maatschappij immers ook op een andere wijze aankijken. Solidariteit op het terrein van gezondheidszorg wordt dan gebaseerd op twee dominante uitgangspunten. De gezondheidszorg wordt door alle burgers betaald als een ongelimiteerd percentage van alle inkomsten van burgers, terwijl toch ieder hetzelfde recht heeft op dezelfde goede basiszorg. Dus inkomensafhankelijke belastingen en verzekeringspremies. En: de gezondheidszorg wordt altijd verleend uitgaande van de behoefte aan basiszorg voor iedereen zonder onderscheid, dus verlening van die zorg enkel op grond van medische (objectiveerbare en evalueerbare) kriteria. Met als algemene wettelijke bepaling dat uitvoering van basiszorg altijd tijdig plaats vindt en voorrang heeft op aanvullende gezondheidszorg. 
Ter verduidelijking van deze stellingname een vergelijking tussen twee soorten zorgsituaties: gezondheidszorg op basis van saamhorigheid en gezondheidszorg op basis van eigen belang en strijd. Ik ga daarbij uit van het principe van rechtvaardigheid en daarvan breng ik twee pijlers in het geding: rechten en plichten. 

Saamhorigheid – solidariteit
Plicht: aan de ander geven op basis van (financieel) vermogen/verdiensten.
Recht: van de ander krijgen op basis van wezenlijke behoefte/noodzaak.

Eigen belang – strijd
Recht: van de ander krijgen op basis van (financieel) vermogen/verdiensten.
Plicht: aan de ander geven op basis van behoefte (generositeit).

Het nieuwe zorgstelsel blijkt in essentie een keuze voor de tweede lijn. Het bovenstaande laat zien dat solidariteit daar (nog) niet weggedacht hoeft te worden, maar dat ze wel een kwetsbare positie krijgt. Solidariteit kan terecht komen in de sfeer van gunsten. Daarom is er een politieke keuze gemaakt met de mogelijkheid van ingrijpende negatieve gevolgen. Een belangrijk punt daarbij is ongetwijfeld de vraag of binnen de eerste lijn meer marktwerking uitgesloten of moeilijk haalbaar wordt gemaakt. Het antwoord daarop is volgens mij: niet uitgesloten, gereguleerd haalbaar, wel minder vanzelfsprekend. Maar juist een meer vanzelfsprekende werking van de markt brengt veel kansen op afbraak van gezondheidsrechten met zich mee, teveel. Ik pleit daarom voor een aantal wijzigingen in het huidige zorgstelsel: mensen betalen altijd voor een ander en anderen zullen altijd voor jou zorgen, hoe je er ook aan toe bent. Daarom ook moet bijvoorbeeld iedereen meebetalen aan de mogelijkheid van hoogwaardige kraamzorg, omdat anderen ook de nieuwe generaties zijn. Niet solidair zijn inzake kraamzorg is gebrek aan beschaving en verantwoordelijkheid.

Inbreken in privacy
Stap voor stap dringen overheden met hun hulpstructuren de privacy van burgers binnen. Verdere stappen in dit proces wil men vooral koppelen aan terroristische aanslagen. Het staat buiten twijfel dat godsdienstig of ideologisch terrorisme bestreden moet worden, het gaat immers om vormen van criminaliteit die op geen enkele wijze kunnen worden vergoelijkt. Maar evenzeer moet de aandacht worden gevestigd op zaken die met dit terrorisme samenhangen. Terreur met andere terreur bestrijden leidt, naar mijn mening, onherroepelijk tot de vraag welke terreur op termijn erger is. Op dit moment stelt men dat een burger die niets te verbergen heeft, ‘dus’ niets te vrezen heeft en dat burgers veiligheid uiteindelijk belangrijker vinden dan vrijheid en privacy. Dat lijkt mij toch een wat vertekende voorstelling van zaken en burgers zouden er goed aan doen om de andere kanten van de medaille te onderkennen. Wie maakt uit of een burger wel of niet iets te verbergen heeft? Daar zijn geen juridische en publieke normen voor. In feite kan de nieuwe wet- en regelgeving tegen ieder gebruikt worden, die afwijkt van een wenselijk geacht patroon. De stap naar de situatie van burgers in totalitaire staten wordt dan wel erg klein. Men kan de betreffende wet- en regelgeving dus wel degelijk zien als een repressiesysteem waarvan burgers gemakkelijk het slachtoffer kunnen worden. Wie niets te verbergen heeft, kan wel degelijk in aanmerking komen voor bijzondere aandacht. Met de ontmanteling van rechten op privacy wil men het godsdienstige of ideologische terrorisme te bestrijden. En de grote vraag is dan of de beoogde totaal-controle (en waarschijnlijk onontkoombare repressie) voor de bestrijding van dit soort terrorisme wel effectief is. Het gaat immers in de kern van de zaak om het denken van mensen te relativeren en ze in zodanige omstandigheden te brengen dat ze zo ook kunnen gaan denken. De kans dat de ingezette bestrijding eerder het radicalisme (de basis voor godsdienstig en ideologisch terrorisme) in stand houdt en zelfs bevordert, is groot. Dat moeten overheden en politieke partijen toch weten? Van die zijde komen echter weinig of geen kritische signalen, maar is er wel veel afwezigheid en stilzwijgen. Is er meer aan de hand dan alleen de gerichtheid op het bestrijden van godsdienstig en ideologisch radicalisme en terrorisme? 

Overheid - politiek - burger
De kloof tussen politiek en burgers kan alleen maar kleiner worden als het pragmatisme sterk wordt teruggebracht en dat betekent: standpunten en discussies (over Nederlandse zaken, Europa en globalisering) vanuit posities en perspectieven die er ècht toe doen: kapitalisme, anti-kapitalisme en anders-kapitalisme bijvoorbeeld. Om tot een evenwichtige visie op democratie te komen lijkt het mij allereerst goed om enkele (mogelijke) vormen van terreur te onderscheiden: godsdienstig-fundamentalistische terreur, economische terreur en bestuurlijke terreur. Met terreur bedoel ik dan het buiten werking stellen van de democratie. Over het godsdienstig-fundamentalistisch terrorisme lezen en horen we elke dag van alles en het verschijnsel moet inderdaad met kracht bestreden worden. 
Maar er is ook een andere terreur, in een andere gedaante: economische terreur, het terrein van een extreem-kapitalistische economische politiek. Het gaat niet om genoeg groei maar om meer groei dan gisteren. We produceren niet meer om te kunnen consumeren, maar we moeten consumeren om te kunnen produceren. Komt er in de toekomst wellicht een consumeringsplicht? ‘Oppotten’ wordt dan nog bedenkelijker. Ik doel daarbij ook op de terreur van een egoïstisch aandeelhouderssysteem dat onder meer exhibitionistische zelfverrijking van bestuurders, managers en toezichthouders bevordert, een verrijking die vooral op basis van onderlinge mythevorming in stand wordt gehouden. Dit wangedrag kan ongetwijfeld overslaan op andere sectoren dan handel en industrie en zal de moraal van de bevolking in ernstige mate ondermijnen. 
Bestuurlijke terreur is uitvloeisel van een ethos dat het winnen van wedstrijden en zelfprofilering van meer waarde acht dan een rechtvaardige maatschappij waarborgen en dienen. Het trotseren van protest en inspraak, van beroep en bezwaar van burgers is dan een informeel pluspunt. De ondoorzichtigheid van het besturen in ons land is groot: het geheel van overheden, zelfstandige bestuursorganen en besturen van allerlei maatschappelijke instellingen is voor een arbeidswillige Nederlander nauwelijks te volgen. De relaties binnen dit circuit zijn vaak onontwarbaar verweven met particuliere economische belangen. 

Het lijkt mij van belang dat niet meer dan de helft van de posities binnen de bestuurlijke klasse in ons land wordt bezet door leden van politieke partijen. In de NRC van 30 april 2005 wees S. Couwenberg erop dat het in stand houden van een bestuurlijke klasse vanuit het lidmaatschap van politieke partijen tegen de grondwet is (98 % van de bevolking wordt bij voorbaat uitgesloten van bepaalde bestuurlijke functies), maar dat – om een ondemocratische wijziging van de grondwet te omzeilen - daarom in de Algemene Wet Gelijke Behandeling het discriminatieverbod buiten werking is gesteld als het gaat om politieke benoemingen in besturen en adviesorganen. Couwenberg had al in Opstand der Burgers aangetoond dat functies bij de overheden en andere economisch en maatschappelijk belangrijke instellingen voornamelijk bezet worden door mensen die lid zijn van of gelieerd aan politieke partijen die bestuurlijke verantwoordelijkheid (kunnen) hebben. Het gaat om selectieprocessen binnen een groep die iets meer dan 2 % van de bevolking uitmaakt. Het ziet er dus naar uit dat de bestuurlijke macht uit een steeds kleiner deel van de maatschappij komt, terwijl er steeds meer bestuurd wordt. Deze ontwikkeling levert nu al heel wat bestuurlijke onbekwaamheid op en dat wordt naar het zich laat aanzien alleen maar erger en politiek incidentalisme neemt navenant toe. De vraag of meer mensen lid zouden moeten worden van een politieke partij is om al die redenen een brede discussie waard.

Cruciaal is de verhouding van bestuurders en hun ambtenaren met de werkelijke uitvoerders van projecten (adviesorganisaties, banken, bedrijven en andere organisaties). Hier ontstaan telkens weer glibberige en precaire conglomeraten, waar fraude en corruptie voortdurend op de loer liggen. Ik denk dan bijvoorbeeld aan offertes en het toewijzen van werk (het witte deel) en aan onderling begrip met betrekking tot budgetoverschrijdingen en persoonlijke faciliteiten (het duistere deel). Probleem is dat je bepaalde zaken moet aanvoelen. De politiek wordt immers vaak zoveel mogelijk op afstand gehouden niet alleen door het achterhouden of manipuleren van belangrijke informatie, maar vooral door nauwelijks te volgen ‘informatie’-processen: ‘helderheid’ verschaffen door het produceren veel mist. Naar deskundige en belangeloze inbreng van burgers wordt amper geluisterd. 

Voor veel bestuurders valt de maatschappij samen met de organisaties waar ze contact mee hebben (gehad). Er is absoluut geen breed-maatschappelijke gerichtheid, omdat de te volgen koers al in beperkter kring is geregeld. Jarenlang was voor allerlei instanties de verwijzing naar ‘Europa’ een geschenk uit de hemel om moeilijke openbare discussies te ontlopen. Het woord alleen al riep een totale moedeloosheid en fascistoïde serviliteit op. Meedenken over invulling en uitwerking van het bedachte beleid werd en wordt natuurlijk met veel vreugde in ontvangst genomen. Mensen zijn dan constructief betrokken en stellen zich positief op. Dat zijn de prettige burgers. Van èchte voorlichting aan burgers is echter geen sprake. Er is een schijn-draagvlak, wat precies de bedoeling is. Van betrokkenheid van burgers is in die fase geen sprake en evenmin van het mobiliseren van verstandige en belangeloze inzichten. En dan gaat deze kortzichtigheid vaak ook nog samen met arrogantie en machtsplezier. Zo wordt toekomstige participatie van burgers toch kapot gemaakt! 

Maar wat nu?
Dat een bepaalde ‘elite’ bestuurt, hoeft niet alleen maar negatief te zijn (ook daar kan men zeker traditie en talent vinden), maar toch is er een duidelijke afrekening nodig om teveel zelfgenoegzaamheid onder druk te zetten. Deze afrekening is mogelijk door het invoeren van een aantal vernieuwingen waarvan ik er enkele noem.

Verkiezingen zijn een perfect middel om de bevolking aan het woord te laten. Maar deze stem kan vele malen krachtiger worden als er twee maatregelen worden ingevoerd: 1. het bevorderen van de mogelijkheid om ontevredenheid over het functioneren van het bestel uit te drukken door blanco te stemmen en 2. de opkomstcijfers op enigerlei wijze te koppelen aan aantallen zetels. De kwaliteit van de discussie over politiek en de inhoudelijke kwaliteit van het bestuur van overheden (en alle politiek gevoelige bestuursfuncties) kan dan zonder enige twijfel snel toe nemen. 

In deze besturen moeten meer zetels voor politiek onafhankelijke mensen komen, deskundige en ontwikkelde mensen die niet aan partijpolitiek willen doen, die bewust afzien van politieke macht. Ook in dat deel van de bevolking (98%) zit waarschijnlijk wel een zekere mate van bestuurlijke intelligentie, deskundigheid en integriteit. 

De voorbereiding van beleid moet worden hervormd. Er kunnen zeer goede voorlichtingsprogramma’s worden opgezet waarbij de zeggenschap over de inhoudelijke richting vooral bij onafhankelijke wetenschappelijke instellingen moet liggen. Met enig geluk zijn deze het minst onbetrouwbaar. Voorlichtingsfunctionarissen en journalisten moeten dan wel stevig mee doen. PR-mensen en voorlichters van besturen zijn financieel niet onafhankelijk maar vaak wel zeer goed op de hoogte: wiens brood men eet diens woord men goed geïnformeerd spreekt. Goed geïnformeerd spreken is echter niet hetzelfde als eerlijke belangeloze voorlichting geven. Journalisten hebben een bepaalde onafhankelijkheid voor zover die door directie en hoofdredactie wordt toegestaan, maar ze zijn over het algemeen niet echt deskundig en ingevoerd in de materie. Wijkt een journalist af van het prettig zichtbaar, hoorbaar, leesbaar weergeven van wat de bron vertelt, dan is de kans groot dat hij fouten maakt. Op dit terrein attendeer ik graag op het boek Communicatie en ethiek (2004) van Rob van Es. 
Nadat zo’n voorlichtingsprogramma een maand of drie heeft gedraaid, volgt er een volksraadpleging of tenminste een raadpleging van alle betrokkenen, referenda die echt ergens over gaan. Door deze maatregelen kunnen de kansen op goed bestuur groter worden. Er wordt dan beleid gemaakt van de best mogelijke kwaliteit. Bij de uitvoering van beleid kan vervolgens makkelijker medewerking van burgers worden verwacht en deze betrokkenheid is dan niet meer een bestuurlijk spelletje met burgers, maar een vorm van betrouwbare participatie.

Tenslotte: het lijkt mij noodzakelijk dat in het straf- en civiel recht (=persoonlijk aansprakelijk stellen) een aantal zaken veranderd wordt om bestuurlijk wangedrag en bestuurlijke criminaliteit aan te pakken. De mogelijkheden om te ontsnappen zijn nu ruimschoots aanwezig, erger nog: justitie begint aan dit zaken nog niet eens als de aandacht van de media verdwenen is. 

Ad Maas (1941) is pedagoog-onderwijskundige, senior-organisatie-adviseur en onderzoekspublicist.


Enige recente Literatuur
1. J. Blommaert, Ik stel vast, Antwerpen 2004
2. S.W. Couwenberg, Opstand der burgers, Budel 2004
3. R. van Es, Communicatie en ethiek, Amsterdam 2004
4. E. Fromm, Haben onder Sein, Stuttgart 2004 (32)
5. A. Kinneging, De geografie van goed en kwaad, Utrecht 2004
6. G. Mak, Gedoemd tot kwetsbaarheid, Amsterdam-Antwerpen 2004
7. R. Safranski, Hoeveel globalisering verdraagt de mens, Amsterdam-Antwerpen 2004 (3)



 

 

 

 

 

 

 

 

 

Valid HTML 4.01!