[Terug naar hoofdpagina] [Contactgegevens]
De Romeinse helm van de Peel
Een discussie met teveel vooroordelen
A.C. Maas te Leende
In 1910 werd in de Peel onder meer de nu beroemde ‘gouden’ Romeinse helm
gevonden en een paar jaar eerder verscheen de roman Het goud van de Peel
van Herman Maas. De Romeinse helm was van verguld zilverblik het goud
van Herman Maas was turf. Twee soorten goud dus, die niets met elkaar te
maken hadden. Of toch wel?
Bijna 100 jaar later, in 2008 kon men op tal van plaatsen in Duitsland
de helm afgebeeld zien ter gelegenheid van een dubbeltentoonstelling van
grote kwaliteit, die een sterke inspiratie bood voor onderzoek en studie
van het eerste millennium n. Chr. in Europa. Het ging om de
gelijktijdige en samenhangende exposities Rom und die Barbaren. Europa
zur zeit der Völkerwanderung en Die Longobarden. Das Ende der
Völkerwanderung. De helm uit de Peel was een van de stralende onderdelen
van de tentoonstelling (over de barbaren); hij komt uit het Rijksmuseum
van Oudheden in Leiden, maar klaarblijkelijk is het orgineel nogal eens
elders te bewonderen, in 2010 bijvoorbeeld ook in Helenaveen en in
Neuenahr. Op dit moment kunt u in Leiden terecht, want er daar is nu een
speciale expositie aan de helm gewijd.
In dit artikel schets ik eerst de persoonlijke aanleiding tot dit
artikel, daarna ga ik in chronologische volgorde de regionale
publicaties over de helm na (daarin komt de onderzoeksliteratuur vanzelf
aan bod), en tenslotte volgen conclusies en overwegingen waarbij ik zoek
naar de hypothese die de meeste gezichtspunten en feiten kan verklaren.
De professionals en de amateurs hebben zo hun eigen ideeën. Daarbij zal
blijken dat onnodig in tegenstellingen werd en wordt gedacht.
Aanleiding
In de jaren rond 1965 schreef ik een boek over H.H.J. Maas (
1877-1956) die romans geschreven had die zich afspeelden in de Peel.
Delen van mijn boek zijn indertijd onder meer in De Nieuwe Taalgids
(brieven van Willem Kloos aan Maas), Maasland en Elsevier gepubliceerd.
Ik kwam niet op het idee om het als boek uit te geven, waarschijnlijk
omdat ik het geheel niet goed genoeg vond. Ik was jong maar had toch
klaarblijkelijk wel wat zelfkritiek. ‘Grootmoedig’ schonk ik het
manuscript aan het Letterkundig Museum. Op hoop van zegen en het werd
zegen. Tot mijn verrassing speelde mijn werk een rol in een grondig
historisch onderzoek van J. van den Dam en J. Lucassen: H.H.J. Maas,
1877-1956. Onderwijsman, literator en journalist., Tilburg 1976 (nr. 37
in de reeks Bijdragen tot de geschiedenis van het zuiden van Nederland).
Mijn artikelen werden daarin keurig vermeld. Van den Dam had in 1975 in
Brabantia al een artikel gepubliceerd met de veelzeggende titel H.H.J.
Maas, Extraversie in frustratie, waarin hij al mijn manuscript
vermeldde.
In een boek over de Peel onder redactie van Matthias Kemp (Het land van
de Peel, 1955) publiceerde Herman Maas een artikel Peelsprokkelingen.
Het begint met de voor hem wel typerende zin: “Voor alles, wat ik hier
ga schrijven, aanvaard ik de volle verantwoordelijkheid”. Dat komt erg
goed uit, want in zijn artikel schrijft Maas uitvoerig over de helm van
‘een romeinsen honderdman, die in de Peel om het leven is gekomen’. Dit
alles had ik al in mijn gedachten toen in 2010 in de regionale pers veel
publiciteit ontstond over de verklaring van het verhaal achter de 100
jaar geleden gevonden helm.
Herman Maas (1955)
Over de gebeurtenissen in verband met het vinden van de Peelhelm
schreven, volgens Maas, reeds eerder A.F. van Beurden en H.N. Ouwerling,
maar het beste stuk is dat van WAM van Heugten, zegt Maas. Via Ton
Spamer ontdekte ik dat Van Heugten in 1943 een tekst over de helm
gepubliceerd had, namelijk in het Nieuwsblad van Deurne. In het boek
Deurne en de Peel. Over mensen en dingen die voorbijgingen van 1979
bundelde Van Heugten een aantal artikelen over de geschiedenis van
Deurne en het eerste artikel is een vrijwel ongewijzigde herdruk van het
artikel uit 1943. Het is ontdaan van wat minder relevante passages,
zinnen en woorden, maar het is werkelijk een herdruk, waarin niets
onvertogens te lezen is. Integendeel, Van Heugten schrijft in een zeer
aangename betoogtrant. Onder de helm ziet hij een honderdman of een
officier zitten, en daarvan zegt hij: ”Dat de gevonden voorwerpen in het
zwarte veen, dus het moeras van dien verren tijd, lagen, pleit overigens
voor de veronderstelling, dat de drager van de helm verdronken of
gestikt moet zijn.”
De toen 78-jarige Herman liet zich in zijn stuk Sprokkelingen van zijn
beste kant zien: veel informatie over de Peel, vanuit eigen ervaring en
waarneming en ook vanuit een brede documentatie en belezenheid, in een
bondig bestek en toch prettig leesbaar. Hij vat het verhaal van de helm
duidelijk samen. De voorwerpen (helm, 41 munten, deel van pijlkoker,
twee mantelspelden, een gouden spoor en een paar stukken schoeisel en
een partij leder, en verder een leren dolkschede, maar geen dolk, zwaard
of speer) werden gevonden tussen het grauwe en zwarte veen, maar van
mens noch paard werd er iets teruggevonden, en dat is toch wel
opmerkelijk. En kan het zijn dat een Romeins officier ongewapend door de
Peel is getrokken? Er is volgens Maas wel een verhaal rond de Peel over
een boer die omstreeks 1850 een ‘gouden zwaard’ gevonden zou hebben. De
verkoop van de helm ‘voor een spotprijs’ aan het Rijksmuseum voor
Oudheden noemt hij een ‘kwanselpartijtje’ ¹. Hij noemt zeven in Europa
gevonden helmen die onderling grote overeenkomst vertonen in bouw en
bewerking en gemaakt zijn in rijkswerkplaatsen in Constantinopel. Van de
stukken leer neemt hij aan dat ze van een schabrak of ‘sierlijk
paardedek’ zouden stammen. Interessant in verband met de sage van de
dolende ridder(s) is de volgende verwijzing van Herman Maas: “De bekende
romanschrijver J.F. Oltmans (hist. romans) laat op een krijgstocht
tussen de Maas bij Lottum en Venlo enerzijds en Den Bosch anderzijds in
‘Het slot Loevestein in 1570’ enige zwaar geharnaste en bewapende
ruiters in de modder smoren, terwijl andere toch behouden in Den Bosch
aankomen”. Hij kan alleen de Peel bedoeld hebben, constateert Maas, maar
voegt eraan toe dat er geen enkele archeologische ondersteuning is voor
dit verhaal. “Lustige romantische fantasie”, is zijn conclusie.
Leo Kluijtmans (1974)
In 1974 publiceerde Leo Kluijtmans, bijgenaamd de ziener van de
Peel, zijn boek Witte magie. De gouden helm uit de Peel. De hoofdzaken
uit dit geschrift maar ook uit andere teksten zijn in het tweede deel
van het recente boek van zijn zoon opgenomen: E Palude Emergo. Uit het
veen kwam ik boven. Nieuwe feiten en inzichten Peelvondsten (2010). De
tekst van Leo is getiteld Mystiek van de oude Peel. Hij volgde de sage
van de dolende Romein en was er van overtuigd dat de Romeinse officier
met geweld om het leven was gebracht. Onder meer wees hij op de vondst
van stenen (‘slingerstenen’) en stenen pijlpunten die door de bevolking
in die tijd nog wel degelijk gebruikt waren of konden zijn. Zijn verhaal
wordt zeer bijzonder als hij gloedvol verhaalt dat de omgekomen Romein
hem op 1 mei in 1960 is verschenen, niet lang na de grote Peelbrand in
1959 die tot in Keulen overlast veroorzaakte. Leo raakte toen in de
eeuwigheid, zoals hijzelf zegt. Hij komt zelfs de naam van de Romein te
weten, namelijk Basilius. Op de gevonden helm staat dat deze Romein
behoorde tot het zesde legioen van de Stablesiani, een legioen, dat
diende onder keizer Constantijn de Grote, aan wie enkele jaren geleden
een nogal tegenvallende expositie in Trier werd gewijd. Basilisus
dus…..Leo Kluijtmans smacht 13 jaar lang naar een volgende ontmoeting.
In de nacht van 26 op 27 augustus 1973 is het zo ver; hij ontmoet de
Romein weer en maakt kennis met een andere Romein uit de 2e eeuw, Romuld
genaamd. Een uittreding, zegt Kluijtmans. Met zijn tweede lichaam (het
astrale) kwam hij in vroegere tijden terecht. In dertien jaar is hij
naar deze topervaring gegroeid. Hij typeert deze als volgt: “Omdat ik
begrepen heb dat Jezus Christus er een rol, een hoofdrol, in speelt, is
het voor mij exact bewezen dat ik de eer heb Zijn Boodschapper te
worden”.
Er is ongetwijfeld een neiging om dit soort openbaringen terzijde te
schuiven. Wie het hoofdstuk Spirituele diepgang en sociale bewogenheid
in Cappadocië in het boek Bevrijd en gebonden. De kerk van Constantijn
(2006) doorleest, het gaat voornamelijk over Basilius de Grote (330-379
n. Chr), komt toch erg opvallende overeenkomsten tegen tussen deze tekst
en passages van Leo Kluytmans. Deze overeenkomsten bewijzen natuurlijk
op zichzelf niets. Het is alleen opmerkelijk. Een verklaring zou kunnen
zijn dat hij op een of andere manier gehoord heeft van of gelezen over
leven en werk van Basilius. Een te veronderstellen relatie tussen
Cappadocië roept ongetwijfeld ook scepsis op. Maar hier staat weer
tegenover dat Brugge volgens een Basiliusplaats is: in de Sint
Salvatorkathedraal worden relieken van hem bewaard en op de Burg is er
een Sint Basiliuskapel in de Heilig bloed-Basiliek, de enige tamelijk
volledig bewaard gebleven Romaanse kerk in West-Vlaanderen. Zo ver
verwijderd is het thema dus ook weer niet.
Het staat voor mij vast dat Leo Kluijtmans goudeerlijk zijn ervaringen
en herinneringen vertelt. Geen twijfel aan integriteit en autenticiteit.
Zijn stijl is hier en daar de wat opgeschroefde taal van een
intelligente amateur die veel informatie als een spons opgezogen heeft,
met veel voorstellingsvermogen, een man die denkt en schrijft in kringen
of wolken van gedachten, die daardoor een zekere immuniteit krijgen en
zich moeilijk lenen voor een zorgvuldige discussie. Dit meer artistieke
en religieuze denken botst bij voorbaat met de meer lineaire
argumentatie van historici en archeologen. Merkwaardig is wel dat je in
diverse passages, ook in de aangehaalde teksten in het verhaal van zijn
zoon, denkt dat Kluijtmans inderdaad een vooruitziende feeling had. Hij
schrijft bijvoorbeeld over landbouw en grondpolitiek, over sociale
verhoudingen en economische situaties op een manier die anno 2010
actueel is. In andere passages gaat hij wel erg ver met het zichzelf
toedichten van unieke eigenschappen. “…mijn geestelijke kracht is niet
te vergelijken met een gewone mens…”, zegt Leo met de nodige zelfkennis,
en hij is “ver doorgedrongen in de vierdimensionale levensbeelden”.
Naast de dimensies van lengte, breedte, hoogte/diepte is er inderdaad
het verschijnsel ‘tijd’ en bij Leo Kluijtmans is dat het contact met de
wereld van de doden.
Nico Arts (1998)
Dat er een Romeins officier in de Peel verdwaald was (een dolende
ridder) en daar jammerlijk om het leven gekomen, zoals de overlevering
vertelde, geloofde een aantal wetenschappers al langere tijd niet meer.
W.C. Braat ging nog wel uit van een verdronken hoofdman volgens een
artikel in een Duitse publicatie uit 1973 over Romeinse helmen. Nico
Arts bracht de interpretatie van een depositie in 1998 naar voren in een
artikel Romeins drama in Helenaveen. Nieuwe mythe rond Gouden Peelhelm (Noordrabants
Historisch Nieuwsblad, november 1998). “Op basis van de ouderdom van de
jongste munten kan de depositie van de helm in of kort na het jaar 319
worden gedateerd, aldus Arts. Verder beweerde hij dat de sage van de
dolende ridder pas na 1910 ontstaan zou zijn. Hij dreef ook wel de spot
dreef met de magie en mystiek rondom de helm die vooral door toedoen van
Leo Kluijtmans (Witte magie. De gouden helm uit de Peel, 1974) ontstaan
was. Kluijtmans was er zwaar van overtuigd dat er een Romein met geweld
om het leven was gebracht, en dat staat ook op het monument (1998) in
Helenaveen, een dorp dat overigens in 2010 (100 jaar na de vondst van de
helm) door een soort tornado getroffen werd. Leo Kluijtmans zou dit
ongetwijfeld als een bijzonder teken opgevat hebben. Het monument werd
in 1998 onthuld en dat was de aanleiding voor het artikel van Nico Arts.
Op het monument zijn de volgende teksten aangebracht: E Palude Emergo en
Hier werd in 1910 de helm teruggevonden van een Romeins officier die
rond 320 omkwam. Arts vermeldde in het artikel van 1998 ook dat volgens
de archeoloog-lederdeskundige Carol van Driel het gevonden leer van een
zak was waarin de helm paste en dat volgens het pollenmanalytisch
onderzoek van de expert Hans Joosten het toenmalige veen op de
vondstlocatie zeer ondiep was en dat verdrinking en verstikking van een
ruiter met paard onmogelijk was. Er waren geen menselijke of dierlijke
resten gevonden. De conclusie van Arts was duidelijk: een doelbewuste
depositie, dus een votiefdepot. Het monument in Helenaveen was volgens
hem misplaatst en de titel van zijn artikel (Romeins drama) moet daar
wel op slaan. Het feit dat op de vondstplaats stenen pijlpunten gevonden
waren en dat die in verband gebracht werden met een moord was in de ogen
van Arts een anachronisme; de steentijd was immers in de Romeinse tijd.
Het tijdschrift IN Brabant weigerde in 2010 een artikel van Huub
Kluijtmans, omdat de redactie voorkeur had voor een objectief
deskundige, namelijk Nico Arts. De stellingname van Arts komt verderop
in dit artikel aan de orde.
Het congresboek van 2006
In 2006 werd in Meyel over de helm een voortreffelijk congres
gehouden en ter gelegenheid daarvan verscheen onder redactie van J.
Pouls en H. Cromvoets het boek De gouden Helm uit de Peel. Feiten en
visies, een schittererend boek. Het congresboek van 2006 lag in het
verlengde van het artikel van Nico Arts. Er was duidelijk een
archeologische behoefte aan een nieuwe zienswijze. Zorgvuldige lezing
van de teksten (van Jos Pouls, Carol van Driel-Murray, Hans Joosten –
Pim de Klerk – Klemens Karkow en Anja Prager, Nico Arts, Aitor Irarte,
Maarten Dolmans en Herman Crompvoets) levert echter nogal wat voorbehoud
op. Daar zal ik in deze passage het accent op leggen. De interpretatie
is nu dat een Romeinse barbaar (een Germaan) die in het Romeinse leger
ongetwijfeld een hoge functie had in de Peel zijn militaire leven
ritueel afsloot met een offer aan de goden om vervolgens met hopelijk
veel succes aan een volgende fase te beginnen in zijn leven,
waarschijnlijk als villa-eigenaar en grootgrondbezitter. Zo
langzamerhand weten we nu wel dat Romeinen en ‘Barbaren’ soms vijanden
waren maar vaak ook niet.
Het boek start met een mooi overzicht van Jos Pouls van de activiteiten
in verband met het vinden van en het onderzoek van onder meer de helm.
Hij probeert een balans op te maken uit het grote geheel van informatie.
Voor de traditionele theorie ontbreekt elk wetenschappelijk bewijs,
stelt Pouls, en hij merkt wel op dat de legende van de verdronken Romein
kennelijk al bestond vóór de datum van de vondst. Waarom Pouls het dan
vreemd vindt dat archeologen als Holwerda, Evelein en Braat aan dat
verhaal toch een bepaalde waarde toekenden is niet duidelijk. Dat er een
crematie plaats gevonden zou hebben (vanwege de asresten) met vervolgens
een bijzetting acht hij mogelijk maar “de bewijsvoering voor deze visie
is (nog) ondermaats”. Pouls brengt zijn mening terecht voorzichtig.
Nico Arts zelf herhaalt niet zijn artikel van 1998 maar publiceert een
verhaal over de archeologische betekenis van natte plaatsen op de
Zuid-Nederlandse zandgronden: archeologische vondsten op die plaatsen
“worden tegenwoordig over het algemeen meestal geïnterpreteerd als een
neerslag van ritueel handelen”. In de periode van 800 v. Chr. tot het
begin van onze jaartelling lijkt echter het offergedrag volledig
onderbroken, maar in de Romeinse tijd keert het deponeren van offers op
natte plaatsen terug. De vondsten van de sierschijf van Helden (1e eeuw
n. Chr) en de helm van Deurne (4e eeuw) lagen niet in beekdalen maar in
veen, en dat is (in deze regio) uitzonderlijk. Op het einde van zijn
artikel maakt Arts een belangrijke relativerende opmerking, namelijk
deze: “De grens tussen votiefgaven en verloren gegane voorwerpen is
immers moeilijk te trekken”.
Door het artikel van Carol van Driel zien we dat er heel wat meer leder
was dan enkel een zak om een helm in te doen; zij reconstrueert hier
(uiterst knap) uit de gevonden fragmenten een kleine tent. Zij besprak
de Deurnese vondsten al eerder in een artikel in de Bonner Jahrbücher: A
late Roman assemblage from Deurne (2000). Zij is de felste verdediger,
waarschijnlijk de initiator, van de depositie-hypothese. Haar eerste
bewering in dat opzicht is deze: “Het geheel is opzettelijk weggestopt
in een ondiep vennetje, zoals het pollenonderzoek van Hans Joosten
bevestigt. Dit is een zorgvuldig geconstrueerde depositie, niet de
neerslag van een tragisch ongeval”. Het pollenonderzoek zegt normaliter
echter alleen maar dat de voorwerpen er in een bepaalde geologische
situatie lagen, en wat Carol van Driel daar aan psychologische
componenten toevoegt (‘opzettelijk’ en ‘zorgvuldig geconstrueerd’) is
niet meer dan een mogelijke interpretatie. Dat geldt ook voor haar
bevinding dat de gevonden munten (39, 41 of 42 en waarschijnlijk nog wel
meer) een bepaalde selectie laten zien van Constantijn-munten en dat dat
gegeven weer de depositie bevestigt. Ook nogal kort door de bocht:
iemand kan immers om andere redenen een verzameling
Constantijn-geldstukken bijeengegaard hebben.
Het artikel over de natuurlijke context en vindplaats (van Hans Joosten
c.s.) laat mogelijkerwijs zien dat van verdrinking geen sprake kan zijn,
en dat is van belang om enkele veronderstellingen uit te sluiten. De
amateurs in deze discussie denken inzake het pollenonderzoek misschien
beperkt. Ze gaan er namelijk vanuit dat de (gevaarlijke) situatie van
het zwartveen in de 20e eeuw aantoont dat Joosten ongelijk heeft.
Saillant is hier natuurlijk het verhaal van de machinist die in 1968 aan
het afgraven was en ternauwernood aan de verstikkingsdood ontsnapte.
Joosten heeft zijn onderzoek kunnen baseren op pollen die op het
gevonden leder aangetroffen werden en dus wel van de vindplaats
afkomstig kunnen zijn, op uitslagen van veenboringen in 1919 en op eigen
onderzoek in een totaal verstoorde situatie. Hij concludeert dat er
sprake geweest moet zijn van ondiep veen op de vindplaats en “dat het
vondstmateriaal hooguit enkele decimeners diep in het al bestaande veen
is ingebracht/geraakt en er deels bovenuit heeft gestoken op een plek
die nog een tijdje open water is gebleven”. Rare dispositie. Let op het
de uitdrukking ‘ingebracht/geraakt’. Joosten gelooft niet zo in een
depositie. Dat is al helemaal duidelijk als hij stelt dat het terrein
bij de vindplaats indertijd goed begaanbaar was en zelfs een weg geweest
kan zijn.
Een indrukwekkend verhaal wijdt Aitor Iriarte aan de reconstructie van
de militaire uitrusting, prachtige vormen van experimentele archeologie.
In de bespreking van de omstandigheden van depositie zegt hij: “Zelfs
als er geen slachtoffers zijn geweest kan de depositie zijn veroorzaakt
door een ongeluk”. Een depositie per ongeluk dus. Plausibel, meent
Iriarte, maar toch onwaarschijnlijk, want het was er zo ondiep dat “een
gevallen bundel gemakkelijk geborgen had kunnen worden” en “niet alle
gedeponeerde stukken zaten in één pakket”. Iriarte bewijst hier de
tegenstanders van de depositietheorie wel een erg grote dienst. Hij is
het ook niet eens met de veronderstelling van Carol van Driel dat het
offer werd gebracht door een teleurgestelde zich uit dienst
terugtrekkende Romeinse officier van Germaanse afkomst. Vooral het
ontbreken van een militaire riem wijst daar volgens hem op. Hij oppert
ook dat de helm reeds incompleet kon zijn “toen hij in het moeras kwam”
en hij is overtuigd van het feit dat er sprake is van de militaire
uitrusting van ‘minstens twee soldaten van verschillende rangen’. In
zijn epiloog doet hij de deur helemaal dicht. De boodschap lijkt te
zijn: hou op met dat opgeklopte denken.
Een artikel van bijzondere kwaliteit is van Maarten Dolmans die op basis
van kennis over de Romeinse legers op zoek gaat naar de ‘Equites
Stablesiani’ (eenheden waarvan je mag veronderstellen dat ze verstand
hadden van paarden) en probeert de man van Deurne in beeld te brengen.
Hij beschrijft ook helder de hervormingen die keizers rond 300 n. Chr.
doorvoerden (vooral Diocletianus en Constantijn). Onder Constantijn
leeft de Romeinse militaire macht in ons deel van West-Europa duidelijk
op: nieuwe forten en vernieuwing van oude forten langs de grote
rivieren, de inrichting van het verdedigingssysteem van de Litus
Saxonicum, herstel van belangrijke wegen (zoals Keulen – Bavay) en de
bewaking ervan. Ook rond de Peel-regio is er veel activiteit. “Het is
dan ook mogelijk dat enige tijd voor de depositie van de helm te Deurne,
op enkele kilometers afstand een Romeins leger onderdeel actief is
geweest”, meent Dolmans. Bedoeld is een locatie rondom Blerick. Dolmans
oppert dat de man met zijn bedienden vanuit het Maasgebied via de Peel
op weg was naar een andere locatie en hij concludeert het volgende:
“Mogelijk is daarbij zijn in een tent ingepakte bagage van een muilezel
gevallen en onder water geraakt, om pas 1600 jaar later te worden
teruggevonden. Zeker is wel dat er geen sprake is van een ongeluk met
dodelijk afloop, daarvoor was het veen te ondiep”. Niks ongeluk maar ook
geen depositie dus, volgens Dolmans.
In het meer heemkundige artikel van Herman Crompvoets komt de kwestie
van de legende het duidelijkst naar voren. “Een feit is dat er van een
duidelijke bron van vóór 1910 niets is gebleken, zegt hij. Maar wel
meldt hij dat twee en een halve maand voor de vondst een legende is
gepubliceerd door A.F. van Beurden, maar deze legende over een omgekomen
Romeinse officier slaat op het toponiem Schatberg dat ongeveer 5
kilometer van de vindplaats van de helm afligt. Dat dit of een dergelijk
verhaal al langer bestond acht hij aannemelijk. Hij bespreekt ook de
visie van Leo Kluijtmans die de moord opvatte als een strijd tussen
kwaad en goed. Crompvoets schrijft hier respektvol over, maar de slotzin
van zijn betoog zet dat respekt enigszins op losse schroeven
Het congresboek overtuigt absoluut niet in de poging om een nieuwe
interpretatie te onderbouwen. Wie de moiete doet om goed te lezen ziet
de tegenspraken en de twijfel bij de archeologen. Maar het is wel een
belangrijke stap in het verdere onderzoek. Je kunt je wel afvragen of je
een boek het beste voor of na een congres kunt uitgaven. Nu blijven
uiteenlopende standpunten zweven.
Huub Kluijtmans (2010)
Het boek van Huub Kluijtmans is ook een eerbetoon aan zijn vader die
door Huub ook als ‘ziener’wordt beschouwd. De oprichting van een
wij-altaartje in Helenaveen voor de Romeinse ridder in 1998 (door Nico
Arts een historische ramp genoemd) was ook een wens van zijn vader. Huub
Kluijtmans schenkt veel aandacht aan de bijzondere geologische
omstandigheden van de vindplaats, de ruimtelijke ordening en vooral de
afgraving van het betreffende veengebied, en daarbij speelt het verhaal
van een bijna verongelukte machinist in 1968 een belangrijke rol: het is
voor hem een aanwijzing voor het bijzonder verraderlijke terrein: ‘een
ingegraven badkuip’. Inderdaad een feit dat niet weggepoetst moet
worden. Ook hij is een overtuigd voorstander van de theorie van een
gewapend treffen. De ‘getuigenverklaringen van het eerste uur’ (de bij
de eerste vondst direct betrokkenen) acht hij belangrijker dan de mening
van hedendaagse deskundigen. Zijn opvatting dat ook in de Romeinse tijd
stenen pijlpunten door de autochtone bevolking werden gebruikt is naar
mijn mening realistisch.
De omstandigheden van en de betrokkenen bij de vondst op 17 juni 1910
bespreekt hij nauwgezet. En dan duikt in zijn verhaal het punt op van
een lans (volgens een getuige een smerig stuk taai hout dat niet kapot
te krijgen was) of de brokstukken ervan, of was het een bisschopsstaf?
Er zijn ook getuigen met verhalen over een wijnvaatje en andere
voorwerpen die in de loop van de tijd zijn verdwenen. Het gebied ligt
ook dichtbij de Romeinse weg van Nijmegen naar Maastricht en op die weg
kwamen uiteraard andere wegen uit, met hier en daar wachttorens.
Belangrijk is uiteraard het verhaal van de legende van de dolende
ridder, of kennelijk officieel: De legende van Leliëndaal. Huub
Kluijtmans legt een (onduidelijk) verband tussen deze legende en een
tekst van Joannes Ludophus van Craywinkel van het klooster Leliëndaal in
Mechelen uit de zeventiende eeuw. Er blijkt bij nader onderzoek echter
geen enkele verband met de Peel. Waarschijnlijk stamt het leggen van
zo’n relatie van de sagen-verzamelaar Jacques Sinnighe (Breda) die niet
terugschrok voor creatieve sprongen. De betreffende Peel-legende beeldt
inderdaad een strijd uit tussen een kleine Romeinse legereenheid en de
regionale bevolking, met als resultaat de hoofdman die in het moeras
omkomt. Allerlei andere archeologische vondsten, zoals de sierschijf van
Helden (in 1807 gevonden), en een Romeins zwaard en vondsten op de
Houwerberg, worden met deze strijd in verband gezien, waarbij niet
duidelijk de datering van de vondsten in acht wordt genomen.
Huub Kluijtmans beschrijft ook dat het Christendom in de periode van
Constantijn in de Limburgse regio (ook Nijmegen, Xanten) bekend werd, al
of niet in een Ariaanse versie. In het spoor van zijn vader vraagt Huub
Kluijtmans zich af of de Romein (Basilius dus) wel een militair was of
een missionaris (een bisschop) of beide. Hij noteert: “Daarom is het
mijns inziens niet uitgesloten dat onder directe regie van de keizer
missies met christelijke taken geleid en begeleid werden door het
ruitercorps van de Equites Stablesiani”. De gevonden fibula ziet hij als
een kruisfibula en de in mootjes gehakte lans als een bisschopsstaf. De
aanvallers waren Arianen die dus nog bekeerd moesten worden tot het
‘ware’ christendom. Een devotie-offer past volgens hem niet in deze tijd
van opkomend christendom. De veronderstelde Romein zou de eerste
christelijke martelaar ons land zijn.
Constantijn de Grote en de Barbaren
In de omvangrijke catalogus bij een tentoonstelling in 2008 in Bonn
wordt Der Helm von Deurne beschreven door Ruurd Halbertsma van het RMO
in Leiden. In de publiciteit in verband met deze expositie was deze helm
dominant aanwezig, maar in de Nederlandse media kwam ik geen enkele
bericht tegen waarin dat vermeld werd. Halbertsma omschrijft de vondst
in de Peel als volgt: de helm, 39 munten, een spoor, twee klokjes, de
zilveren spits van een zwaardschede, een mantelspeld, vier schoenen (de
resten van drie paar van verschillende grootte) en verschillende leer-
en textielfragmenten. De leerfragmenten betreffen ook een
één-persoons-tent. De helm is naar zijn mening “nicht römisch und zeigt
den Einflusz exotischer sasanidischer Beispiele aus Persien, die von
Kaiser Konstantin in die Römische Armee eingeführt wurden”. Halbertsma
mengt zich niet in de archeologische discusie. Hij zegt dat gebleken is
dat de helm niet gedragen werd, “als er in Sumpf versank”. Hij vermeldt
ook het volgende: “Es scheint, dass das in Deurne gefundene Ensemble
zusammengepackt worden war und entweder im Sumpf verloren oder
absichtlich im Wasser deponiert wurde…” En in de laatste situatie zal
het gaan om een officier van Germaanse afkomst in het Romeinse leger.
Halbertsma baseert zijn tekst enkel op die van archeologische experts en
vermeldt niets van en over regionale auteurs.
Zijn passage over de helm stemt overeen met het hoofdstuk Konstantin und
das Heer uit de al even zware Ausstellungskatalog bij de tentoonstelling
Konstantijn de Grote die in 2007 in Trier plaats vond. Velerlei
literatuur over het Romeinse leger is hier samengevat. In de tijd van
Constantijn bereikte het leger zijn grootste omvang. Dat betekent dat
niet meer dan 500.000 Romeinen in militaire dienst waren, verdeeld over
67 waarschijnlijk kleinere legioenen dan voorheen, namelijk: 28 in de
Orient, 17 langs de Donau, 10 langs de Rijn, 3 in Brittanië, 1 in Spanje
en 8 in Afrika. Daarbij en daarnaast waren er de hulptroepen die
grotendeels gevormd werden door niet-Romeinen. Zo wordt bijvoorbeeld wat
betreft de Varusslag in Noord-Duitsland duidelijker dat daar vrije
Germanen vooral tegen door Rome ingehuurde Germanen vochten. Wat de
kwestie van rangen in het Romeinse leger betreft lijkt de
Peelhelm-officier tot de groep van de protectores te behoren: zonen van
hoge officieren of van Germaanse vorsten of mensen met een lange
bewonderenswaardige staat van dienst in het leger.
Alexander Demandt meldt het volgende: “Etwa ein Drittel der Heermeister
des 4. Jahrhunderts war Germanischer Herkunft, im 5. Jahrhundert hatten
sie die übermacht. Daar komt nog bij dat Germanen hun trouw aan de
keizer een gedane zaak vonden als de keizer stierf. Wat de helm betreft
komen we te weten dat Constantijn een nieuw soort helm invoerde en dat
de helm uit de Peel daar een exemplaar van is. Ze werden (trouwens al
sinds Diocletianus) in fabrieken vervaardigd, onder meer in Byzantium of
Constantinopel. Ook het christogram was onder Constantijn algemeen. Er
staat een prachtige helm afgebeeld die gevonden is in Berkasovo en die
meteen doet denken aan de helm van Helenaveen. In deze catalogus staat
de volgende passage over de helm van Kessel: “1997 jedoch wurden in der
Niederländischen Provinz Nord-Limburg 15 Fragmente eins Helmes gefunden,
an dessen Stirnseite des Helmkamms ein auf den Kopf stehendes
schlüssellochförmiges Zierfeld angebracht ist, das im runden Feld mit
einem Christogramm verziert ist. Lange Zeit wurden entsprechende
Zierstücke, die vor allem in den nördlichen Grenzprovinzen des Römischen
Reiches belegt sind als Klerikerschnallen angesprochen”. Deze helm wordt
zowel in het congresboek als in het boek van Huub Kluytmans min of meer
terloops genoemd. Mogelijk een aangrijpingspunt voor verder onderzoek
Conclusies en overwegingen
Een archeologische kernzaak is dat de vondst totaal ongecontroleerd
heeft plaats gevonden. Er is dus van een tijdig archeologisch onderzoek
geen sprake, alleen van achteraf-onderzoeken van overgebleven vondsten.
Er is dus geen nauwkeuige situatietekening uit de eerste hand van de
preciese vondstplaatsen van de diverse objecten: de helm, de munten, de
pijlpunten e.d. Ingepakte en bij elkaar liggende vondsten wijzen de ene
richting uit en meer verspreid liggen vondsten een andere. Nog scherper:
wat troffen de turfstekers aan? Mijn indruk uit de verhalen is dat de
directe vondst bij elkaar lag, maar dat er ook verspreide vondsten zijn.
Verspreiding van een aantal stukken kan echter een gevolg zijn van de ‘opgraverij’.
Voor niet-directe vondsten van een steen (stenen) en stenen pijlpunten
ligt de zaak anders. Als dit wapens van vijanden geweest zijn in deze
omstandigheden dan is gespreide ligging aannemelijk. Verder is er in de
verdere Peel-omgeving allerlei Romeins gevonden, maar die vondsten
zeggen pas iets als de datering ervan tamelijk zeker is.
Uit de documentatie in verband met deze archeologische zaak kunnen we
een aantal hypothesen afleiden. Hier volgen de meest evidente: .
1. Een dolende romein die omkomt op een verraderlijke plek in de Peel.
Daar op weg zijn zonder paard lijkt absurd, dus we moeten een paard
veronderstellen. Dat deze situatie geologisch onmogelijk is, lijkt geen
sterk argument: wellicht hoef je niet al te diep weg te zakken om ergens
niet meer weg te kunnen. En als het zo’n ondiep vennetje was, was het
dan wel een geschikte depositieplaats? Maar van mens noch paard zijn
sporen gevonden. Alle organisch materiaal kan vergaan zijn, maar dan
lijkt er wel weinig materiaal teruggevonden te zijn dat direct bij een
man en een paard hoort.
2. Een depositie, dus een votiefdepot, mogelijk van een Germaan die het
tot officier in het Romeinse leger bracht en het einde van zijn
militaire loopbaan passend vierde. Het is een meer antropologische
visie, die in een materialistische cultuur vaak niet geloofwaardig
overkomt, maar internationaal aanvaard is. De vondsten wijzen wel naar
een aanzienlijk persoon. In het vondstmateriaal zijn resten van zeer
dure kleding gevonden. Maar waar is die zo belangrijke militaire gordel?
En er zijn kennelijk ook geen wapens meegegeven in ven of veen, of het
zou een lans moeten zijn. En wie schenkt aan de Goden andersmans
schoenen terug, want het staat vast dat de maten van het gevonden
schoeisel niet van één persoon was.
3. Een crematie met dispositie: deze hypothese is alleen gebaseerd op de
aanwezigheid van donkere plekken, mogelijkerwijs as, en in die as is
niets aangetroffen dat herinnert aan een mens.
4. Een gevecht: er heeft inderdaad strijd plaats gevonden tussen de
Romeinse officier al of niet met assistenten, vrijwel zeker te paard, en
omdat er geen gevaar verwacht werd, had de officier zijn belangrijke
spullen netjes ingepakt, zoals een militair dat behoort te doen. Tijdens
een achtervolging en/of schermutseling (gevecht) is hij dat ‘ensemble’
(zoals Ruurd Halbertsma zegt) verloren in een gebied waar het moeilijk
terug te halen was. De personen en paarden zijn (waarschijnlijk
gehavend) ontkomen. Niet omgekomen maar ontkomen.
5. Een ongeluk: er was helemaal geen strijd, maar door ongelukkige
omstandigheden (noodweer, bijvoorbeeld een tornado) werd van alles
verloren, een groot deel ervan ingepakt in een tent. Paarden en personen
liepen wel schade op maar niet tengevolge van geweld. Iemand kwam om,
wel werd van alles verloren.
De beste hypothese is wetenschappelijk gezien de veronderstelling die
het meest verklaart en dat is naar mijn mening op dit moment de vierde
of – maar wel in mindere mate- de vijfde. De vierde hypothese geeft een
realistisch antwoord op tal van vragen en overbrugt eigenlijk de
ontstane controverses. Het ontbreken van dierlijke en menselijke resten
is logisch, want er kwam daar geen paard of mens om. De helm in een
foudraal is ook aannemelijk. Verschillende schoenen: deze zaten
waarschijnlijk niet in het ingepakte ensemble (al is het niet
onmogelijk), waren van verschillende personen, en dat is ook goed te
verklaren. Dat de helm beschadigd raakte is overigens zeer aannemelijk
te verklaren uit de wijze van opgraven (= uit de grond steken). Stenen
en pijlpunten krijgen een begrijpelijk plaats als er sprake was van
strijd en geweld. Het kwijtraken van het samengebundelde geheel past erg
goed bij de situatieschets zoals Hans Joosten die opgesteld heeft. De
aanvallers hebben niet gemerkt dat er materieel verloren ging.
Hoe komt het toch dat het zoeken naar de meest waarschijnlijke gang van
zaken zo bemoeilijkt wordt door wederzijds dogmatisme? Belangrijke
spelregel blijkt dat we uitgaan van wat werkelijk gevonden is (en waar
precies) en niet van wat er gevonden had kunnen worden. Professionele
archeologen en amateurs maken graag deze laatste fout. Om hun
interpretatie kracht bij te zetten wordt verondersteld wat er nog
gevonden behoort te worden. Een volgende spelregel is om hypotheses op
te stellen en deze zorgvuldig te koppelen aan de werkelijke vondsten.
Ook de hypothese van ‘tegenstanders’ en regionale en lokale amateurs in
de afweging betrekken: alleen hierdoor komt de beste mogelijke discussie
tot stand
Noten
¹ In Detector Magazine 113 van november 2010 werd de vondst van een
paradehelm in Croby Garret (Engeland), beschreven, een helm die in
oktober 2010 geveild is door Christie’s; de geschatte opbrengst zou
tussen de 240.000 en 360.000 liggen, werd meegedeeld; de werkelijke
opbrengst blijkt ongeveer 3.000.000 euro geweest te zijn.
Literatuur
Nico Arts, Romeins drama in Helenaveen. Nieuwe mythe rond Gouden
Peelhelm, Noorbrabants Historisch Nieuwsblad, november 1998
J. van den Dam en J. Lucassen, H.H.J. Maas, 1877-1958, Onderwijsman,
Literator en Journalist, Tilburg 1976
J. van den Dam, H.H.J. Maas, Extraversie in frustratie, Brabantia 1975
A. Demandt en J. Engemann, Imperator Caesar Flavius Konstantin
Constantinus. Konstantin der rosse. Ausstellungskatalog, Trier 2007
Maaike Groot, Searching for patterns among special animal deposits in
the Dutch river area during the Roman period, internet via google
R. Halbertsma, Der Helm von Deurne (Niederlande), in: Yann Rivière ( en
vele andere auteurs), Rom und die Barabaren, Bonn 2008
W.A.M. van Heugten, De Helm van de Peel, Deurne 1943
W.A.M. van Heugten, Deurne en Peel. Over mensen en dingen die
voorbijgingen, Deurne 1979
Th. Janssen, Reizen door de oude Peel, 3 delen, respectievelijk Honderd
eeuwen Peelverhalen, Vaarten in Venen, een Peelmondriaan en 20e eeuw,
mens en landschap in beweging, Sevenum 2001, 2004 en 2007
H. Kluijtmans, E Palude Emergo. Uit het veen kwam ik boven. Nieuwe
feiten en inzichten Peelvondsten, Grashoek 2010
Jona Lendering en Arjen Bosman, De rand van het rijk. De Romeinen en de
Lage landen (2010) van.
A.C. Maas, Herman Maas, leven en Werk (1966), niet uitgegeven (deels in
tijdschriften gepubliceerd)
H.H.J. Maas, Peelsprokkelingen, in: M. Kemp, Het land van de Peel,
Maastricht 1955
H.N. Ouwerling, Geschiedenis der dorpen en heerlijkheden Deurne, Liessel
en Vlierden, Deurne 1933
J. Pouls en H. Crompvoets (red.), De Gouden Helm uit de Peel. Feiten en
visies, Meijel 2006
Trouillez, Bevrijd en gebonden. De kerk van Constantijn (4e – 5e eeuw n.
Chr.), Leuven 2006
EXPOSITIE IN HET RIJKSMUSEUM VOOR OUDHEDEN
Honderd jaar geleden deed turfsteker Gebbel Smolenaars een
spectaculaire vondst in het moeras van de Brabantse Peel. Op 15 juni
1910 haalde hij geen turf uit de grond, maar een vergulde zilveren
ruiterhelm uit de Romeinse tijd. En hij vond nog meer: een mantelspeld,
een ruiterspoor, belletjes van een paardentuig en Romeinse munten. De
gouden helm werd schoongepoetst en tentoongesteld in het huisje van
Smolenaars. Voor tien cent kon men de schat komen bewonderen. Later werd
de helm door het Rijksmuseum van Oudheden gekocht.
Deze kleine tentoonstelling gaat niet alleen over de Romeinse helm, maar
ook over de verhalen die er honderd jaar lang de ronde over deden. Hoe
is de gouden soldatenhelm in het moeras terechtgekomen? Wie was de
mysterieuze ‘ridder van de Peel’? Is de schatvondst compleet
teruggevonden? Op al deze vragen zijn de afgelopen honderd jaar
verschillende antwoorden gekomen, al dan niet op feiten of op fictie
gebaseerd. De ‘Peelhelm’ sprak velen tot de verbeelding. Het was dan ook
een vondst van formaat; een van de belangrijkste archeologische
ontdekkingen van de twintigste eeuw in Nederland.
Een gedeelte van de nieuwe vaste afdeling ‘Archeologie van Nederland’
wordt voortaan gebruikt voor tijdelijke tentoonstellingen over
onderwerpen uit de Nederlandse archeologie. Deze tentoonstelling over de
gouden Peelhelm is de eerste in de rij.