[Terug naar hoofdpagina] [Contactgegevens]
De Rijkdom van Leermogelijkheden
De politieke agenda van eenzijdige visies
A.C. Maas (Leende)
In de ogen van veel leraren voltrekt zich op dit moment een verbazingwekkende ontwikkeling in ons onderwijs. Het protest van de werkvloer tegen de vormgeving van het leraarschap door ‘het management’ was zelden zo breed en diep maar toch gaat de ontwikkeling naar een ander ‘leraarschap’ gewoon door, sterker nog: het lijkt alsof er twee verschillende wereld zijn die met elkaar niets te maken hebben en alsof de onderwijstrein van politiek, bestuur en management onverstoorbaar doordendert. Niets te zien van het bekende verhaal (mythe?) dat communicatie (dialoog en discussie) tot meer inzicht en verdieping en verstandiger beleid leidt: de communicatie is er gewoon niet en wordt ook niet gewild. In dit artikel komt de stellingname¹ aan de orde dat achter de (overigens onnodige en uitzichtloze) controverse van ‘nieuw leren – oud leren’ voornamelijk politieke en economische belangen zitten.
‘Oud’ & ‘nieuw’ natuurlijk
Mensen die echt geïnteresseerd zijn in het concrete gang van zaken in het onderwijs, dus in de meest productieve verhouding tussen leerlingen en leraren, weten dat je alle leermogelijkheden op hun situationele bruikbaarheid moet bekijken en dat degenen die dat kunnen erg ver komen wat betreft goede onderwijsleerresultaten en een wenselijke (!) ontwikkeling van leerlingen en studenten.. Welk onderwijsconcept of schoolconcept ook aan de orde is, een ruime, open, veelzijdige kijk op onderwijs- en leermogelijkheden is wenselijk en noodzakelijk. Het gaat immers om het vermogen om te kunnen kiezen binnen het totale register van pedagogische en onderwijskundige mogelijkheden om voortgang en vooruitgang te boeken in de ontwikkeling van jonge mensen. Ik pleit dus voor het principe dat tal van onderwijsleervormen hun betekenis kunnen hebben en daarom in de professionele bagage van leraren thuis horen.
Zijn leraren nuttig?
Mijn vooronderstelling is dat voor het gebruik kunnen maken van een rijk register van leermogelijkheden leraren nuttig zijn. Ook degenen die de filosofie uitdragen dat de kwaliteit van onderwijs en leren vergt dat leerlingen (voornamelijk) autonoom hun ‘leerkeuzes’ moeten (!) maken, vinden doorgaans wel dat leraren daarbij een rol kunnen spelen die kwaliteit verhogend is. Leraren zijn dan dus nodig. Maar waarom precies? Er zijn aan het huidige en toekomstige leraarschap allerlei rollen, taken en competenties te verbinden (zie verderop), maar als ernstig gemeend wordt dat het vooral ook moet gaan om kwaliteitverhogende interventies in het leren van leerlingen dan leidt dat onverbiddelijk tot enkele kerncompetenties. De kerncompetenties die momenteel aan de orde zijn, kunnen m.i. van harte onderschreven worden, mits men inziet dat er twee grote tekortkomingen zijn, namelijk: inhoudelijke expertise en objectiverend reflectievermogen van leraren.
Inhoudelijke expertise
Inhoudelijke expertise: er is een tekort aan kennis en kunde op de onderwijsleergebieden, dus een te geringe beheersing van de leerstof. Dit tekort is op zichzelf een zorgelijk punt, maar dat is het zeker als men bedenkt dat didactische bekwaamheid en productieve begeleiding en coaching niet los gezien kunnen worden van beheersing van onderwijsleerstof. Ook bij vormen van zelfontdekkend, actief en interactief leren wint een uitdagende stijl aan kwaliteit als een leraar terzake voldoende deskundig is. Het gaat dus om het inzicht dat de domeinen van de leerstof en van de werkvormen juist met elkaar in verband gezien en gedacht moeten worden. Aan dit wezenlijke verband is lange tijd voorbij gezien. Het gevolg daarvan is dat de kwaliteit van het onderwijs door deze omstandigheid onvoldoende is of zal worden. Het blijkt echter moeilijk dit probleem constructief aan de orde te stellen.
Reflectiekwaliteit
Objectiverend reflectievermogen: de bereidheid om over (beter) onderwijs praktisch na te denken, om te reflecteren op het eigen handelen, om het onderwijs creatief vorm te geven en om samen te werken valt vaak op bij stagiaires, leraren in opleiding en jonge leraren. Deze competenties kunnen in teams van veel betekenis zijn om het onderwijs te dynamiseren en te verbeteren. Maar hier moeten we ook constateren dat een grote bereidheid tot reflectie en zelfevaluatie niet samenvalt met een zekere diepgang. Onder meer Valeer van Achter (De onderwijskunde voorbij²) heeft duidelijk gemaakt dat de reflectie een filosofisch of fundamenteel pedagogisch/onderwijskundig referentiekader behoeft, omdat anders de reflectie niet boven de oppervlakte van het ervaren van wat er gebeurt uitkomt. De banaliteit ervan is in tal van situaties te zien. De diepgang is niet te ontlenen aan de ‘theorie-vorming’ in verband met nieuw leren, want serieuze theorie (die een zekere onderzoekstraditie in onderwijsleersituaties veronderstelt) is er niet, en wordt trouwens krachtig vermeden. De uitgangspunten ervan kunnen wel als aanzet gebruikt worden.
Ambivalentie in beroepsuitoefening
Het dubbele gevoel van leraren bij dit alles is haast genant. Vertrouwelijk geven ze ook toe de nieuwe ideeën over leren (opgevat als ‘een probleem van de leerling’) prima uitkomt om de werkdagen beter door te brengen. Je kunt tamelijk vlot een batterij van reacties aanleren ten aanzien van zaken waar leerlingen mee zullen komen en daarmee bereiken dat ze actief zijn of worden. Wie dit ziet als kwaliteitsnorm (‘ze zijn zeer actief bezig met….’) kan tevreden naar zichzelf kijken. Bij veel leraren is er echter een grote onrust zichtbaar en die uit zich in vragen en opmerkingen als: Ben ik daar alleen voor? Wie maakt dat eigenlijk uit? Eigenlijk zou het toch anders en beter kunnen? Had ik maar wat minder werkbelasting en kon ik doen wat ik werkelijk goed vindt voor de leerlingen met wie ik om ga? Waarom kan ik niet ter sprake brengen wat naar mijn mening goed werkt.
Wie op deze zaken doorpraat, ontdekt dat veel leraren open staan voor een arrangement van wat ik nu maar oud en nieuw leren noem. Leraren weten ook hoe verleidelijk het is om terug te vallen in dagelijkse routines, maar ze kunnen ook goed aangeven dat dat net zo goed een gevaar is als ze van begeleiding en coaching het kerngebeuren maken, sterker nog: juist daarmee kun je op een gegeven moment jaren vooruit zonder iets te doen aan achtergrondstudie en -inspiratie. Het nadenken over goed leraarschap behoort op een ander vlak te liggen dan het maken van een keuze tussen het geloof in het nieuwe en het geloof in het traditionele leren.
Veralgemening van zorgberoepen
In een recent artikel Ontwikkeling van het WSNS-denken³ heb ik gesteld dat het recente onderwijsbeleid het realiseren van ‘onderwijszorgarrangementen’ (let op het woord) tot een plicht van de school maakt. Ook scholen voor bijzonder onderwijs mogen geen leerlingen meer weigeren. Plaatsing van leerlingen moet gegarandeerd worden, geen thuiszitters meer, een goed passende plek voor elke leerling. Er komt een massief contrôle-systeem om scholen daartoe te dwingen. Hierover kan men veel zeggen (ook positieve aspecten) maar ik signaleer hier een ermee samenhangende trend die spoedig zichtbaar zal worden. Er zijn krachten die ook lerarenopleidingen willen opheffen en vervangen door algemene beroepsopleidingen voor zorg. Studenten die via deze opleidingen gekwalificeerd worden zijn inzetbaar in tal van beroepen in de
gezondsheidszorg, bejaardenzorg, jeugdzorg, maatschappelijk werk en onderwijs. Deze optie is heel logisch voor een bepaalde soort bestuurders en managers die de vakinhoudelijke aspecten van een beroepsopleiding diskwalificeren (en bijvoorbeeld onderbrengen in andere organisatiemodellen en in digitale
expert-systemen). Sterker nog: je kunt er zelfs een bijzonder gepassioneerde invulling aan geven. Wie wil nu niet graag medewerkers hebben die voortreffelijk leraar kunnen zijn met velerlei ervaringen in andere sectoren? Wie wil er nu niet loopbaanmogelijkheden met de nodige externe mobiliteit? Wie daar tegen is, moet nu maar op staan. De rol van de leraar verandert niet alleen in het kader van een onderwijsinstituut; het zal nog veel verder gaan: er komen algemene mensbegeleiders die op tal van fronten ingezet kunnen worden.
Gaat deze ontwikkeling door?
Het zal niet vreemd zijn dat ik wel degelijk kritiek uitoefenen op deze ontwikkeling als de kern ervan is het uithollen en ondermijnen van vakinhoudelijke expertise die inherent is of hoort te zijn aan de functie die men uitoefent. Argumenten genoeg voor dit standpunt en nog hard te maken ook, als je daarvoor de kans zou krijgen. Ik denk dat het realistisch is om er rekening mee te houden dat de aangeduide ontwikkeling door zet. De politieke en economische verhoudingen anno 2006 worden immers geheel bepaald door een kapitalistische ideologie. Een tijdlang was het nogal achterlijk om dat woord te gebruiken en zelfs om te denken in zekere tegenstellingen als rijk en arm, werkgever en werknemer, liberalisme en socialisme; dat was allemaal weggepaarst met het afschudden van ideologische veren, en niet alleen in Nederland. Een gruwelijke vergissing uiteraard: de optie van vanzelf samenvallende belangen is een sprookje, om het vriendelijk te zeggen. Het communisme wordt nu vervangen door een staatskapitalisme dat niets vandoen heeft met het liberale beeld van de vrije mens en de democratische samenleving. Het tot op grote hoogte corrupte Westerse economische, politieke en bestuurlijke systeem, dat zich nu nog minstens ogenschijnlijk aan ‘mensenrechten’en ‘rechten van kinderen’ moet houden, zal op termijn de strijd verliezen met een totalitair kapitalisme waarin de individuele persoon nauwelijks telt. Ook onze kapitalistische ideologie heeft geen behoefte aan gevormde democraten, maar aan continu bruikbare medewerkers die wat ze verdienen meteen en liefst bij voorbaat consumeren. De systemen zijn op die situatie ingericht. De filosoof Peter Sloterdijk heeft in een van zijn boeken uiteengezet hoe ontheemde mensen (die bestaan uit een set inzetbare competenties) een existentiële behoefte krijgen aan consumeren. Dat komt goed uit, want er moet immers geconsumeerd worden om steeds meer te kunnen produceren (economie moet groeien op straffe van ondergang).
Dus?
Wie nieuw en modieus en dus eenzijdig en scheef voor de dag wil komen met pertinente ideeën over ander onderwijs, dus onderwijs dat ‘past’ bij onze tijd en bij ‘de’ veranderende maatschappij en vooral bij ‘de fundamenteel veranderde leerling’, moet goed weten in wiens belang hij actief is. Uiteraard in het belang van zichzelf( wie niet?) maar ook in het belang van een kapitalistische globalisering die van alles goedkeurt wat niet deugt: uithongering van volkeren, het oneerlijk belasten van landen met onmogelijke schulden, het uitmoorden van burgers, mensen degraderen tot werkezels annex consumptiemachines, terrorismebestrijding misbruiken voor wat men al wilde: een contrôle- en repressiemaatschappij, de gedrogeerde ‘samenleving’, schijndemocratie en ‘facisme met een lachend gezicht’ (Erich Fromm), ondermijning van solidariteit, bijvoorbeeld van zorg voor medemensen, uitholling van rechtsstaten, uitbuiting van de natuur en deze tot handel en koopwaar maken (via ‘rechten’). Er zijn dan in feite maar twee normen: 1. geld en 2. nog meer geld. Vele mensen op belangrijke posten onze maatschappij laten zich meeslepen in vormen van morele criminaliteit, waar de overheid uiteraard totaal niets aan kan doen, mede uit welbegrepen toekomstig eigenbelang. Het valt niet mee om door alle ‘nieuwspraak’ heen (Orwell, Aanhangsel bij de roman 1984) deze aspecten onder ogen te zien. Ik vind het de moeite waard om een visie tot uitdrukking te brengen die gericht is op een humane wereld en op opvoeding en onderwijs die daarvan in dienst staat, en dus op alle relevante kwaliteiten van leraren. In dat licht gezien is de wereld van het onderwijs in beginsel een krachtige omgeving, althans dat kan het zijn. Je moet wel voor die op humaniteit gerichte leeromgeving (durven) kiezen. Door er op een goede manier te zijn, zal de school op termijn invloed uitoefenen op maatschappij en wereld. Dat ideaal vraagt krachtige leraren met kennis van zaken en ambitie daarin en plezier in jonge mensen die zich breed ontwikkelen. Een humane wereld impliceert uiteraard ook een economisch verantwoorde en verantwoordelijke ‘globalisering’. Het onderwijs dient ook deze zaak. Deze visie is uiteraard onbespreekbaar in kringen van machthebbers en hun klerken en supporters, maar helemaal niet op de werkvloer van het onderwijs. Daarom ligt daar de bron van een voorzichtig optimisme.
Ad Maas (1941) is pedagoog-onderwijskundige en publiceerde o.m. boeken over het Schoolwerkplan (1980), Management en begeleiding van Schoolloopbanen (1994) en Kwaliteit van het Onderwijsaanbod (2004).
1. Budel (uitgeverij Damon) 2004: uitverkocht, wordt niet herdrukt omdat een nieuw boek in voorbereiding is
2. Valeer van Achter, De onderwijskunde voorbij, Gent 2006; zie www.
3. A.C. Maas, Ontwikkeling van het WSNS-denken, Basisschoolmanagement april 2006