[Terug naar hoofdpagina] [Contactgegevens]
SYMBOLIEK VAN DE VALK
Wat hebben ’t Valkhof in Nijmegen en Valkenswaard met elkaar te
maken? U hoeft geen geniale blik te hebben om het verband te
ontdekken: de valk. We betreden daarmee de orde der valkvogels. In
Nijmegen is er een dubbeltentoonstelling over. Er zijn op onze globe
ongeveer 9000 vogels. De roofvogels vormen een groep die sterk tot
de verbeelding spreekt, zeker als je een aantal daarvan kunt leren
om te jagen in dienst van de mens. In het Nijmeegse Natuurmuseum
wordt dit thema in beeld gebracht. In het Torenmuseum aan de andere
kant van ’t Valkhof vindt u de geschiedenis van de valkerij verteld,
wel wat summier, maar de middeleeuwse onderaardse gewelven van dit
museum aan de Waalkade maken alles goed.
De naam Valkenswaard is betrekkelijk jong. Lange tijd heette deze
plaats Wedert of Weert. In de achttiende kwam de naam Verckensweert
in gebruik (naar de handel in varkens) maar de inwoners van die
plaats zagen in varkens klaarblijkelijk geen hoogvliegers, want ze
hoorden liever de naam: Weert (Wedert). Tenminste dat schrijven J.
Bots en H. Mélotte in hun nog steeds boeiend boek Van Wedert tot
Valkenswaard (1977). Daarin komen ook de vroegere kapitalisten van
Wedert ter sprake en in die passages blijkt hoe belangrijk het
vangen en africhten van valken was voor de regionale economie. Om
verwarring met een ander Weert te voorkomen zal de naam Valkenswaard
opgekomen zijn, in de loop van de negentiende eeuw. De valkerij werd
een zaak om met trots op terug te kijken. Eeuwenlang stond de kunst
van het jagen met roofvogels in Nederland op zeer hoog peil, maar
vanaf ongeveer 1850 kwam geleidelijk een eind aan die traditie.
Valkenswaard hield het nog lang vol want de laatste beroepsvalkenier
Karel Mollen (1854-1935) was nog actief tot in de twintigste eeuw.
Gelukkig zijn er historici om belangrijke situaties en
ontwikkelingen te ontrukken aan de vergetelheid. In 1974 kwam Jan
van Oirschot met zijn onovertroffen proefschrift Vorstelijke
vliegers en Valkenswaardse valkeniers sedert de zeventiende eeuw.
Werkelijk een totaal-studie: de wereld van de valkerij graat breed
open. Het boek eindigt met een pleidooi voor het voortbestaan van de
valkerij in haar huidige vorm als object voor studie en middel tot
bescherming. En dat lijkt te lukken.
Over de inhoud van het boek van Van Oirschot hoef ik hier niets te
vermelden want u kunt alle belangrijkse aspecten grondig bekijken in
het Cultuur-Historisch Museum in het Carolusgebouw in Valkenswaard.
Onder ons gezegd en gezwegen : de permanente tentoonstelling daar is
nog boeiender dan die in Nijmegen. De Nijmeegse tentoonstellingen
verwezen overigens met veel bewondering naar Valkenswaard. In
Valkenswaard voel je een bepaalde soort verbondenheid: zo was het
hier in het dorp en op de heide. Van Oirschots boek inspireerde tot
een werkgroep waaruit in 1976 de Stichting Museum Valkenswaard
ontstond die veel werk verzette (onder de bezielende leiding van
valkenier Jac van Gerven) en zo werd het museum vanaf 1986 een feit.
Het is nu beter dan ooit gevestigd, wat de accomodatie betreft, en
parkeren is overal wel een probleem, behalve op de heidevlakten maar
daar mag je weer niet met de auto komen. Sinds 1995 is er de
prachtige catalogus van dit Cultuur-Historisch Museum.
De tentoonstelling in Nijmegen maakt wel duidelijk waar de
laat-middeleeuwse naam ’t Valkhof vandaan komt. Het boekje Valk&Hof
bij deze dubbelexpositie verklaart dat deze naam te maken heeft met
het zogenaamde ‘zeeg’ maken van de gevangen valken. De
Valkenswaardse catalogus zegt dat ‘zeeg’ afgeleid is van ‘sedigh’ en
‘mak’ of ‘tam’ betekent, en het Nijmeegse boekje spreekt van
‘gewennen’ en dat wennen gebeurde vooral op drukkere plaatsen waar
veel mensen bijeen kwamen, dus een hof. De naam van ’t Valkhof
hoeven we dus niet te zoeken bij de Romeinen, Karel de Grote of
Frederik Barbarossa, die wel ter plaatse actief waren. Zedige valken
dus, en juist daardoor zo bruikbaar voor macht en geld, iets om over
na te denken.
Is de valkerij nu alleen maar een voorbije zaak? Historisch
onderzoek levert uiteraard nog nieuwe gegevens en gezichtspunten en
de belangstelling blijft. Mijn belangstelling werd weer gewekt door
een boek van Frans Hoppenbrouwers dat onlangs uitkwam. Het is een
historische roman, gebaseerd op een betrouwbare documentatie:
Slechtvalk. Hier wordt Valkenswaardse historie verteld aan de hand
van het leven van Govert Daems. De Daemsen zijn rijk vertegenwoordig
in de geschiedschrijving van Van Oirschot. Wat een schitterende
combinatie : het prachtige boek van Frans Hoppenbrouwers lezen en
dan naar het museum, of omgekeerd. Maar er is nog meer voor wie het
dieper wil zoeken. In de roman Sneeuwvalk van Stuart Harrison (2001)
wordt verteld hoe het africhten van een aangeschoten sneeuwvalk een
wonderlijke invloed heeft op een autistische jongen. Een
gedetineerde richt de vogel af, wint vertrouwen en communiceert, en
de jongen die dit meemaakt, komt los uit een afgesloten wereld. Nog
iets meer. Op de kaft van een van mijn boeken over onderwijs heb ik
een adelaar laten afdrukken en in het boek citeerde ik een lied van
Dimitri van Toren, waar ik tot besluit twee strofen uit aanhaal:
Zie daar, Koning Adelaar
En wie weet wat hij ervaart
Wanneer hij in verheven stilte
Geruime tijd naar boven staart.
Zal diens magnifieke oog
Met zijn goddelijke lens
Het beste wat de schepping voortbracht
Eens het oog zijn van de mens?
Frans Hoppenbrouwers, Slechtvalk, Uitgeverij
Kabeljauws, Eersel 2007. ISBN-13: 578-90-77747-18-6 ;
Cultuur-Historisch Museum (Nederlands Valkerij Museum): www.vsmm.nl;
tel. 040-2045111