[Terug naar hoofdpagina] [Contactgegevens]
BONIFATIUS en Dokkum
In het onlangs verschenen boekje Dokkum van Thijs Frenken staat het traditionele verhaal van Bonifatius (en Bonifatius) keurig op een rij. Dit tradionele verhaal is bekend. Deze Heiligen waren in achtste eeuw vanuit Utrecht actief in het land van de Friezen. Bonifatius is in Dokkum vermoord, maar dat gebeurde pas nadat hij in Duitsland onstuimig missiewerk verricht had. Hij werd begraven in Fulda. Willibrordus stierf in zijn klooster Echternach. In de publiciteit wordt met Bonifatius (en Willibrordus) breed uitgepakt. Grote congressen, diverse nieuwe publicaties, twee opera’s (in Dokkum en in Fulda) en honderden media-berichten. Ook het boek van Franken is public relations van de bovenste plank: volgens hem legden beide Heiligen de fundamenten voor Europa. Hun werk wordt dus voortgezet en uitgebouwd door onder meer St. Bolkestein en St. Kroes. Heel wat minder hoog van de toren blies 50 jaar geleden frater Winfridus (P.W.Brouwers) en S. Tuinen (toenmalig burgemeester van Dokkum) die toen het AO-boekje 754-1954 Bonifacius schreven. Eenvoudig en duidelijk, niet opgesmukt en opgeklopt, haast een verademing. De grote vraag is of de geschiedenis van Bonifatius en Wilibrordus werkelijk op feiten berust. Zijn er betrouwbare schriftelijke bronnen en/of zijn er relevante archeologische vondsten? Het Symposium van de Studiekring Eerste Millennium zet deze vraag op het programma. Het centrale discussiepunt zal ongetwijfeld zijn of we wel zeker weten dat rond 700 met de naam ‘Traiectum’ inderdaad Utrecht bedoeld is. Ja, zegt de traditie, maar er zijn ook theorieën die beargumenteren dat het toen om een andere plaats gegaan moet zijn. En er worden drie mogelijkheden genoemd : Maastricht, Antwerpen en Atrecht (Tournehem). Deze discussie vindt plaats op het genoemde symposium en is weergegeven in het boek Willibrord en Bonifatius. Waren ze ooit in Nederland? En als Traiectum in de achtste eeuw niet gelijk gesteld kan worden met Utrecht, dan is er uiteraard ook een probleem met Dokkum waar de moord op Bonifatius plaats vond. De onderzoekers die Traiectum in Noordwest-Frankrijk plaatsen noemen nogal eens de omgeving van Duinkerken als de lokatie van Dockinchirca.
In het genoemde boek Willibrord en Bonifatius. Waren ze ooit in Nederland? staat ook een uitvoerig artikel dat betoogt dat er veel kans is dat alle schriftelijke bronnen met betrekking tot Willibrord en Bonifatius bedenksels en vervalsingen zijn van na het jaar 1000. Het boek wordt uitgegeven door de uitgeverijen Papieren Tijger (Breda) en Mens en Cultuur Uitgevers (Gent).
Naast het boek van Frenken zijn er in Duitsland onlangs twee belangrijke Bonifatiusboeken verschenen. Het Bonifatiusblatt in Duitsland zit nu in zijn 144e jaargang. Het tijdschrift betreft het Bonifatiuswerk van de Duitse katholieken, vooral de ‘Diasporahilfe der deutschen Katholiken’. In het juli-september-nummer 2004 krijgt de diaspora in Denemarken alle aandacht. De voormalige Vikingen(?) willen kennelijk maar niet voldoende katholiek worden. In het Bonifatiusblatt, dat dus in 1860 opgericht is, wordt een boekje 754-2004: St. Bonifatius aangekondigd. Pracht boekje: 80 bladzijden, veel illustraties , kosten 5 euro, wat zelfs voor Nederlanders tamelijk weinig is. Het Geleitwort is van Karl Kardinal Lehmann, bisschop van Mainz, en hij wist op een hymne van Hildegard van Bingen die daarin Bonifatius prijst. Het Vorwort is van Heinz Josef Algermissen, bisschop van Fulda. Algermissen schrijft: “Ohne den heiligen Bonifatius wäre diese Kirche, wenn auch erst fast tausend Jahre nach seinem Martyrium, wohl nich zur Bisschofskirche geworden“. Opvallend tussenzinnetje. De tekst van het boekwerkje is van Werner Kathrein, Friedhelm Jürgensmeier en Wilhelm Stürmer. Na hun beschouwingen is er een duidelijk overzicht van Bonifatiuskerken in Duitsland (ruim 200, grotendeels in en na de negentiende eeuw gebouwd). Vervolgens nog een overzicht van tijdgenoten van Bonifatius (Sturmi, Lul, Wigbert, Burkard, Eoban und Adalar, Gregorius van Utrecht, Witta, Sola, Richard und Wunna, Walburga, Wunibald, Willibald, Lioba, Thekla, Willibrord, Odilo, Hadelog, Eddo, Zacharias, Liudger, Agilolf, Lantfrid, Markhelm, Virgil en Pirmin). Daarna de aartsbisschop van Paderbornd, Hans-Josef Becker het boek af met een aantal opmerkingen over het huidige Bonifatiuswerk. In de inleidende passage geeft Kathrein duidelijk aan dat het Duitse apostel-beeld van Bonifatius in de negentiende eeuw opgezet en uitgebouwd is. In Nederland maakte Joseph Alberdinck Thijm Willibrordus tot apostel van Nederland en in dezelfde periode deed het Duitse katholicisme dat met Bonifatius. Sinds 1867 kwamen de Duitse bisschoppen regelmatig samen aan zijn ‘graf’in Fulda. Kathrein schetst op een heldere manier de conventionele historie van Bonifatius. Hij steunt daarbij vooral op de vita van Willibald, waaruit een aantal fragmenten vertaald zijn opgenomen. Alle belangrijke Bonifatiusplaatsen komen in beeld: Utrecht, Keulen, Mainz, Worms, Speyer, Tauberbisschofsheim, Geismar, Buraburg, Fritzlar, Erfuhrt, Ohrdruf, Amöneburg, Fulda, Würzburg, Kitzingen, Ochsenfuhrt, Heidenheim, Eichstatt, Regensburg, Passau, Altomünster, Freising, Salzburg, Benediktinbeuern, Pavla en Rom (718, 722, 738). Daar is dus geen woord (plaats) Frans bij.
In al deze plaatsen is er uiteraard een rijke en zelfs overdadige iconografie ontstaan, eeuwen na de dood van de veronderstelde heilige. Dit boekje is met veel andere publicaties in feite de geschiedenis van legendes, devotie-geschiedenis uit het tweede millennium. Een bewijsbare relatie met gebeurtenissen in het eerste millennium is er niet, ook niet in archeologisch opzicht. Wat veronderstelling of aanname is, wordt als feit gepresenteerd. Vanuit het oogpunt van devotiegeschiedenis is er weinig aan te merken op dit soort publicaties, behalve één ding: om de devotie te onderbouwen en versterken worden berichten uit (?) en over het eerste millennium klakkeloos en kritiekloos als waarheid gepresenteerd. Dat zou naar mijn mening correcter en verantwoorder kunnen. De ‘gelovigen’ kunnen op dat punt best leven met wat meer wetenschappelijke twijfel.
Als je deze en dergelijke publicaties doorneemt vraag je je af of het wel mogelijk is om in bredere kring een trefzekere en zuivere discussie te voeren over het eerste millennium. Tegen de beeldvorming van de devotiegeschiedenis is weinig kruid gewassen en het lijkt erop dat die beeldvorming door de moderne communicatietechnologie nog sterker zal worden. Zijn we op weg naar virtuele historie voor het volk en gesloten circuits van deskundigen voor het echte historisch onderzoek (aangenomen dat het in stand blijft)?
Een overdonderend fraai boekwerk is Bonifatius. Vom Angelsächsischen Missionar zum Apostel der Deutschen dat in 2004 is uitgegeven door Michael Imhof en Gregor Stasch.
Dit boek bevat enige hoofdstukken bevat die wel wat meer relevant kritisch-historisch materiaal op tafel leggen inzake Bonifatius en zijn tijd. Dat geldt bijvoorbeeld voor het de eerste bijdrage van Imhof die een voortreffelijk overzicht schetst van de christianisering in en vanaf de Romeinse tijd. . Ik citeer daaruit de volgende zin over Willibrord: “Ihm wurde 690 durch den fränkischen Hausmeier Pippin das zuvor fränkisch gewordene gebiet Süd-West-Frieslands mit Antwerpen en fünf Jahre später Utrecht als Missionsgebiet zugewiesen“. De bijdrage van Von Padberg is conventioneel-degelijk. Hij schrijft: „Den Hagiographen kam es eben darauf an, Bonifatius als Martyer und Heilige zu präsentieren. Da mussten die Fakten schon einmal um des höheren Zieles willen zurechtgebogen werden“. Het verhaal van de moord in Dokkum is een vermenging van waarschijnlijkheden en van ‘legendenhaften Teilen’, zegt Von Padberg en hij voegt eraan toe: ‘sie können hier nicht ausbebreitet werden’. Hij wijst op het verhaal van het evangelieboek van Bonifatius dat door het zwaard getroffen zou zijn, terwijl dat evangelieboek verward werd met een beschadigde Codex Ragyndrudis die in Fulda te zien is en waarvan niet duidelijk is of die werkelijk uit de tijd van Bonifatius dateert. Aris behandelt uitdrukkelijk de moord op Bonifatius en doet dat zorgvuldig op basis van de teksten van de vita’s. Bonifatius en de moord worden niet in twijfel getrokken, maar er wordt meer gekeken naar de wijze waarop de moord voorgesteld wordt, dus een meer literair-culturele nadering. Over de plaats des (on-)heils wordt niet gesproken.