[Terug naar hoofdpagina] [Contactgegevens]
ONDERWIJS –KUNST – CULTUUR
Na de dubbele krenking de echte crisis?
Over leerlingen, leraren en het doel van onderwijs
Scholen en leraren leverden gezag in gedurende de
democratiseringsgolf in de tweede helft van de twintigste eeuw en
daarna werden ze geleidelijk ondergebracht in een managementcultuur
die weinig waardering had voor de inhoudelijke deskundigheid en v
oor deze meerwaarde van leraren, dus voor de autentieke kern van
leraarschap. De echte crisis komt er nu pas aan, volgens Prof. Dr.
René Boomkens en Drs. Arjan Dieleman op het derde symposium
Onderwijs=Kunst in Eindhoven (271010).
Boomkens fenomenologie van de ervaring
Onze ervaringen en vooral die van jongeren zijn in verandering.
Walter Benjamin (Frankfurterschule), een verlate tijdgenoot, heeft
dat concreet voorzien. Wij zijn bang van de ontwikkeling dat er een
mutatie optreedt in het opdoen van ervaringen. Die zien we bij de
medemens-barbaar, en we ontdekken die ook in onszelf, zoals Barrico
in zijn boek De Barbaren beschrijft. Ons waarnemingsapparaat
is aan het veranderen onder invloed van de ICT die alsmaar verder
‘explodeert’. De idee van de geleidelijke opbouw van ervaring maakt
plaats voor de onmiddellijke beleving. Die onmiddellijke beleving is
niet primair talig, niet rationeel, vluchtig en contextgebonden
(vaak met een karakter van massaliteit): hier en nu geldig (met zijn
allen). Benjamin zag de ‘verstrooide’ ervaring al aankomen. Barrico
gaat verder: hij onderkent de shockmatigheid en de spectaculariteit
van het nieuwe ervaren. In wezen gaat het om geīsoleerde
belevenissen (eventueel met velen) die plaats vinden in een
universum van kicks. De idee dat inspanning tot duurzame ervaring
leidt maakt (ten dele?) plaats voor reeksen cultuurbelevingen. Dit
kondigde zich al aan in de golven van zappen, surfen en multitasking:
alles nu en wel onmiddellijk en tegelijk. Van homo sapiens naar homo
zappiens? Daar zit de angst van de wel-denkende generaties, maar die
zijn tegelijk ook bang van de barbaar in henzelf, zegt Alessandro
Barrico. Zijn boek heeft aan het werk van Umberto Eco nogal wat te
danken heeft. Vooral nanotechnologie zal de mogelijkheden van het
‘nieuwe’ ervaren en beleven onvoorstelbaar verbreden en verhevigen.
Wat moet het onderwijs in deze nieuwe cultuurgolf met een
tsunamnikarakter?
Dielemans microsociologie van de klas
Leerlingen doen ontzaglijk veel indrukken op. De
interactiesnelheid met media is zo groot dat de motivatie om te
willen onthouden, paraat te hebben, plannen verzwakt. De sociale
ICT-media kregen een virtuele ontmoetingsruimte met tal van
vrienden, allerlei relaties en speciaal taalgebruik. De
info-anarchie op internet wordt in allerlei situaties benut, maar
lukraak en met weinig inzicht in en gevoel voor de inhoudelijke
kwaliteit van de informatie (googlificatie). De oude waarden die
passen bij waardevolle kennis (canon, aura en ascese) tellen vaak
niet en wankelen. Concreet aantoonbaar is de relatie tussen de
miniaturisering van de middelen (van huiskamermeubelstuk via
eigenkamer-apparaat tot vakje in de spijkerbroek) en de toegenomen
ICT-gevoede leefwereld. Wat is nu vandaag in deze benadering nog een
klas (microsociologisch bekeken)? De cultuur van de klas kende
(kent) nog kenmerken van de kloosterscholen: men trok zich terug uit
de wereld om echt te kunnen leren. Nu brengen leerlingen niet alleen
hun persoon en kleding (!) mee, maar ook hun digitale leef- en
belevingswereld. Verwacht moet worden dat dit proces verder gaat en
ongekende vormen zal aannemen (weer: nanotechnologie) en dat tegen
het geweld van de marketing van de lifestyle-industrie weinig te
beginnen is. Waarschuwingen zijn er te over. Tal van onderzoekers en
auteurs die betrokken zijn bij en op opvoeding en onderwijs
waarschuwen dat het verloren gaan van verbale-logische bekwaamheid
gepaard zal gaan met het verlies van de op redelijkheid gebaseerde
maatschappij: een niet te stoppen narcisme-epidemie, een toenemende
onbespreekbaarheid van stellige meningen, een niet meer werkende
rechtsstaat. En weer rijst de vraag: wat te doen in het onderwijs?
Commentaar
De symposia (zie de samenvatting van de eerste twee als bijlagen
hierna) laten enkele lacunes zien en tonen een zekere machteloosheid
ten aanzien van de praktijk van het onderwijs. Ook op het derde
symposium blijkt dat er geen verbinding wordt gezocht met de
historische pedagogiek, dus met mensen die ook over opvoeding en
onderwijs nagedacht hebben. Een belangrijk en persoon is
bijvoorbeeld Friedrich Schleiermacher (1768-1834), die vaak de vader
van de ervaringstheologie is genoemd en die onder meer kwam een
tractaat publiceerde waarin hij onderwijzen meer identificeerde met
kunst dan met kunde. Een heel ander verhaal dan dat van tijdgenoot
Johann Herbart die goed onderwijs vooral zag als een methodische
kunde. Herbart had in ons land wel een alles overheersende invloed,
Schleiermacher niet.
Ook ontbreekt nog de inbreng van mensen die nu juist indrukwekkend
bezig zijn geweest met de betekenis van kunst in het
onderwijsaanbod. Wie hier denkt aan een stapel leesvoer van vooral
praktisch-onderwijskundige aard, denkt te beperkt. Ik wijs hier
alleen maar op het werk van Toon Gerritse, onder meer een flinke
tijd hoofddocent op het Mollerinstituut, die zijn ideeën over
beeldende vorming grondig filosofisch en psychologisch onderbouwde;
hij was overigens een broer van de indertijd bekende
onderwijsinspecteur Dorus Gerritse, onder meer de auteur van Een
broekzak vol Rijkdom en een trouw medewerker van de Nijmeegse
psychiater Anna Terruwe, van wie we het werk ook weer maar eens ter
hand moeten nemen.
De derde lacune is wel de belangrijkste, althans in mijn ogen, dus
op mijn ooghoogte.
Gedurende dit symposium was het opvallend dat de geconstateerde
krenkingen op zichzelf niet meer zo duidelijk in beeld kwamen.
Kennelijk was dat gezegd en dus min of meer ‘afgedaan’. Terwijl
juist daar toch een best hanteerbare oplossing ligt voor de
aangekondigde crisis. Immers wat er ook gebeurt in de leefwereld van
jongeren, en hoe ook hun belevingswereld zal veranderen ( en
mogelijkerwijs gemanipuleerd), tegen die onvermijdelijke en gegeven
achtergrond moet het onderwijs positie bepalen. En dat doet het
onderwijs nog niet, ook al vanwege het feit dat tal van economische
en maatschappelijke krachten dat ook liever niet hebben. De huidige
onzekerheid en het actuele opportunisme is nog wel een tijd vol te
houden, maar ze vormen zeker geen basis voor een goede toekomst.
Als we het verschijnsel ‘school’ in essentie blijven definiëren
zoals nu, namelijk een instituut dat van belang is in de overdracht
van en het vernieuwen van cultuur, dan zijn er twee evidenties ten
aanzien van de overtuigingskracht van een leraar:
- zij/hij moet in staat zijn tot constructieve communicatie, en
- hij/zij moet meerwaarde tonen op het gebied van die cultuur, een
deel van die cultuur, dat vakgebied, die leerstof.
Ooit domineerde de tweede essentie (sinds de democratisering van het
onderwijstelsel niet meer afdoende), nu domineert de eerste essentie
(in de toekomst onvoldoende om het instituut onderwijs te
legitimeren) en dus zitten we nu in de fase dat beide essenties met
kracht uitgewerkt moeten worden. En op beide terreinen is er werk
aan de winkel. Ik stip die in het kort aan en voeg dan nog een
laatste opmerking toe.
Productieve communicatie: wie de wereld van counseling (e.d.)
overziet, voor mij als redacteur van het Tijdschrift voor Counseling
redelijk mogelijk, ziet na een tijd dat het alsmaar opstapelen van
steeds nieuwe concepten (een marketing-noodzaak) vraagt om een
grondige begeleidingswetenschap. Bert Coenen is op dat onderwerp
gepromoveerd, heeft daar onlangs een baanbrekend boek over
geschreven, en….in dat boek neemt de inspiratie vanuit kunst een
belangrijke plaats in. We moeten dus een praktijkwetenschap opbouwen
voor het begeleiden van (opgroeiende) volwassenen, vergelijkbaar met
de praktijkwetenschap van de pedagogiek, al zijn we daarvan een
groot gedeelte uit het oog verloren. We moeten ons geheugen
verlengen en er is niets handzamer en praktischer dan een ‘goede’
theorie.
Het duurzame belang van de leerstofbekwaamheid is naar mijn mening
sterk aangetoond door de historicus Manfred Fuhrmann, die in een
recente publicatie de canon (het waarom en wat van leerstof) volgt
gedurende de laatste 2000 jaar. De oude idee van Bildung kan
natuurlijk niet meer, maar een nieuwe interpretatie in de huidige
fase van de mensheid is actueel en urgent. Het project Op Ooghoogte
en zeker ook de voordrachten van Boomkens en Dieleman dragen daar de
aanwijzingen overtuigend voor aan.
Tenslotte: de school die zich in deze zin ontwikkelt en opstelt, kan
daar ook rechten aan ontlenen. Dan komt het moment dat het ook
afgelopen moet zijn met de zogenaamde pedagogische compassie met
leerlingen die niet willen beantwoorden aan de redelijkheid die een
school nodig heeft om te functioneren, dus de school gezien volgens
een bepaalde definitie. Scholen kunnen niet overgeleverd worden aan
een terreur van door de industrie ‘opgevoede’ jongeren. Een nieuwe
discussie over de leerplicht is gewenst. Minstens zullen we naar een
situatie moeten dat leerling zich contractueel verplichten tot een
houding die bijdraagt aan het kunnen realiseren van onderwijs. Laten
we eens bezien wat onze overheden hiervan vinden.
www.onderwijsiskunst.nl
Teun Abbenhuis, Paul van der Grinten, Bert Ramakers, Ooghoogte 1.
Portret van de leraar, 2008
Vera Asselbergs-Neessen, Kind, kunst en opvoeding, 1989
René Boomkens, auteur van onder meer De angstmachine en van De
nieuwe wanorde, en met Alfons van Wieringen, Ooghoogte 3, Het
portret van de leraar met cultuur als invalshoek, 2009
Bert Coenen, Schuren, knutselen en schooieren, Coachen als
praktijkwetenschap: een begeleidingskundig perspectief, 2009
Arjan Dieleman, De pedagogische kwaliteit van de leraar, 2007; met
P. Span (red.), Pedagogiek als levensloop, 1993 (2)
Manfred Fuhrmann, Europas kulturelle Identität, 2002
Paul Kuypers, H. D. Tjeenk Willink, Frans Bakermans, M. Rümke,
Ooghoogte 2. Het portret van de leraar vanuit drie invalshoeken,
Eindhoven 2008
Paul Kuypers, Ooghoogte 1. Essays, Eindhoven 2008 met dvd Magisch
Moment
Friederich Schleiermacher, Reden über die Religion, 1999 (opgedragen
´an die gebildeten unter ihren Verächtern’) en Texte zur Pädagogik,
2 delen, Frankfurt am Main 2000
Toon Gerritse, Beginselen van de beeldende vorming (1974) en
Geschiedenis van de Beeldende vorming 1973
Johann Herbart, Allgemeine Pädagogik (1806) en Lehrbuch der
Psychologie (1808)
Ad Maas, Opvoeding en onderwijs / Pedagogiek en onderwijskunde, 2011
Anton Monshouwer, S. Strasser, Herbart als opvoedkundig denker, 1967
Herbert Read, De kunst en haar educatieve functie (1957), 1968
IS ONDERWIJZEN KUNST? 2008
Onderwijs realiseren behoort niet tot de kunsten zoals we die
normaliter opvatten. Onderwijzen is wel een kunnen, het kan
kunstzinnige resultaten opleveren, het kan kunstzinnige momenten
omvatten, en er is zo’n mooi onderwijs dat je het gerust een kunst
mag noemen. Onderwijs met magische momenten. Veel zaken die niet tot
het gebied van de kunsten behoren kunnen wel zo uitgevoerd worden
dat we van ‘een kunst’ mogen spreken. Het is zinnig en inspirerend
om de wereld van onderwijs en kunst met elkaar in verbinding te
brengen, dus om het werk van leraren en van kunstenaars te
vergelijken. Dat wordt ons sinds kort erg gemakkelijk gemaakt door
een boek van Paul Kuyjpers (Ooghoogte. Portret van een leraar)dat op
basis van een project van drie Eindhovense ex-rectoren (Teun
Abbenhuis, Paul van der Grinten en Bert Ramakers) tot stand kwam en
waarover onlangs in Eindhoven een symposium plaats vond.
Frans Bakermans, de huidige rector van het Eindhovense Sint
Joriscollege (dat ook sport en kunst hoog in het vaandel heeft
staan), poneerde dat het onderwijs en trouwens alle sectoren die
gericht zijn op kwaliteiten van mensen (‘mensenprojekten’) teveel de
profitsector imiteren, daarheen gestuwd door een economisch denken
dat overal geld ziet en meetbaarheid van resultaten voorop stelt.
Meten is lang niet altijd weten, poneerde Bakermans. Leraren worden
bijgevolg in hun werkzaamheden gestandaardiseerd. Leraren zijn er
voor de leerlingen en moeten juist voldoening halen uit de
ontwikkeling die ze bij de leerlingen opmerken. Daar ligt de kern
van inspiratie en motivatie. Een leraar moet juist wat eigenzinnig
zijn: de kracht en inspiratie in zijn werk moet uit hemzelf komen om
te overtuigen in de communicatie met de leerlingen. En de kern van
die communicatie is het ont-dekken en open leggen van verbanden. Dat
is wat leerlingen nodig hebben: wegwijzers en aanvullingen op wat ze
zelf kunnen vinden. Om dat te kunnen moet de leraar zelf
vakinhoudelijk sterk staan en op dat domein ook geīnspireerd zijn en
bij tijd en wijle raken. Vanuit andere perspectieven naar zijn vak
kunnen kijken is daarbij van groot belang; de gelegenheden daartoe
moeten veel meer bevorderd worden. Platgetreden paden verlaten. Hier
zag Frans een duidelijk verband tussen leraar en kunstenaar.
Matthijs Rümke, regisseur bij het Zuidelijk Toneel, noemde de
initiatiefnemers (de drie ex-rectoren) van dit symposium
‘spijtoptanten’. Hij bekeek magische momenten in kunst en onderwijs
en wees een drietal perspectieven aan: leraren kunnen met inhouden
overtuigen en zelfs vlammen, ze kunnen in de relationele sfeer
inspireren en (verstandig en integer) uitdagen, en ze kunnen een
belangrijke rol vervullen in de persoonlijke ontwikkeling van
leerlingen. Een krachtige aanvulling op het betoog van Frans
Bakermans. Nog indringender bracht Matthijs voor het voetlicht dat
meetbaarheid een terreur en machtsmiddel is geworden. Er is een
nieuwe romantiek nodig, zei hij, in het denken over mogelijkheden in
de ontwikkeling van mensen. Hij besloot met een gedicht van Peter
Handke.
Herman Tjeenk Willink, vicepresident van de Raad van State, startte
wat zoekerig en rees daarna snel tot sublieme hoogte. De regelzucht
van de overheid is berucht. Veel regels zijn er echter ook ter
bescherming van burgers. Toch constateert hij bij de rijksoverheid
een soort blindheid voor wat zich in de maatschappij en dus ook in
het onderwijs afspeelt; daar spelen uiteraard ook de woordvoeders
van allerlei sectoren een rol in. Van de onderwijswetten en
–regelingen hebben vooral wethouders en de teams van de scholen veel
last. Problemen worden door overheden niet zorgvuldig gedefinieerd,
mede om bestuurlijke en politieke armslag te hebben. Niet onderkend
wordt wie nu echt met de problemen zit, dus wie de werkelijke
eigenaren van de problemen zijn. ‘Beleidsveranderingen’ hebben
meestal een structurerend en/of procedureel karakter, met vaak
weinig inzicht in veranderingsprocessen bij de mensen die het moeten
doen. Onderzoek naar de kwaliteit van het openbaar bestuur is vaak
eenzijdig gericht op het aanwijzen van schuldigen of het ontlopen
van blammages. Een overheid is in haar aard al bureaucratisch
(regelgeving en handhaving) maar de bureaucratie lijkt zich te
verzwaren als de overheid zich bedrijfsmatig (‘onderrnemend’) gaat
opstellen en gedragen. Overheid-burger wordt dan verweven met
overheid-klant. Tussenlagen van procesmanagers en toezichthouders
ontstaan, het inhuren van externe deskundigheid woekert alle kanten
uit en het aantal min of meer vaste ambtenaren neemt niet af. Dit
geheel van (belanghebbende actoren) vormt ook een zelfreferentieel
systeem waar geen doorkomen aan is. Kritiek van buiten het systeem
wordt genegeerd of in publiciteit afgekapt.
Dit nu ook met het onderwijs aan de hand. De professionaliteit van
de leraar is gedevalueerd, en dat is bepaald niet per ongeluk
gebeurd. Onderwijs is in zekere zin kunst, de leraar moet vooral een
(gevormd) persoon en vakman zijn en onderwijsprocessen zijn even
belangrijk als onderwijsresultaten. Leraarschap moet gekoesterd
worden door het beroep af te schermen van teveel maatschappelijke
bemoeienis. De school is vooral een oord waar het gevecht om inzicht
plaats moet kunnen vinden.
De dubbele krenking van de leraar 2009
In Eindhoven was er op 21 oktober 2009 een tweede bijeenkomstš over
Onderwijs dat door de bril van Kunst bekeken wordt. Onderwijs =
Kunst was het thema.
Fons van Wieringen van de Onderwijsraad stelde dat er in en om het
onderwijs een strijd gaande is tussen het realistische
vormingsideaal (opleiden tot beroepsvaardigheden) en het
humanistische vormingsideaal (Bildung van de gehele mens). Hij zag
dat drie ontwikkelingen veel onzekerheid veroorzaken: steeds worden
er verwachtingen gestapeld ten aanzien van de taak van de school, er
spelen aan de lopende band structurele veranderingen een rol, en de
school wordt steeds meer met gedragsproblematiek geconfronteerd die
meer zorg en begeleiding dan onderwijs vereist. Hij pleitte ervoor
om weer eens goed na te denken over de basistaak van
onderwijsinstellingen. Ook moet er balans komen tussen de idee dat
de school van de ouders is maar ook van de samenleving/maatschappij:
het klantmodel is doorgeslagen. Dat lag al jaren in de lijn van de
verwachting.
Ook is een nieuw evenwicht nodig tussen het realistische en het
humanistische vormingsideaal: dit vergt een nieuwe doordenking van
beide concepten, en daarbij kan het denken van vanuit kunst en
kunstenaarschap nieuwe perspectieven openen. Minstens gaat het om
een integratie van vakmanschap en creativiteit. Kunst impliceert ook
mogelijke houdingen ten aanzien van mens-maatschappij en wereld. Ook
religie kan (kon) iets massiefs zijn en inspireren tot opvattingen
van goed onderwijs en daarbij passende praktijken. Het gaat om
inspiraties die de ruimte voor verbeelding vergroten. De rol van de
leraar als cultuurdrager moet weer in het vizier komen, de inhoud
van het onderwijs is belangrijker dan de didaktiek en inhoudelijke
bekwame en gemotiveerde mensen van buiten het onderwijs zijn nodig
om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. Deze visie wordt
steeds meer en openlijker naar voren gebracht.
De Groningse hoogleraar René Boomskens( aanvankelijk in de popmuziek
en maatschappelijke trends) was wel en niet aanwezig. Zijn toespraak
werd voorgelezen door een licht-dyslectische collega die echter wel
vķķr kon lezen, omdat hij goed ingevoerd bleek. Deze keer dus geen
ongeīnspireerd voorgelezen tekst, maar een voltreffer. De
MacDonaldisering is er inderdaad ook in sectoren waarin het gaat om
menselijk welzijn en menselijke ontwikkeling. De Mc.
Donald-standaards van efficiency, voorspelbaarheid, berekenbaarheid
en technologische perfectie, die overal ter wereld dezelfde soort
hamburger opleveren, doordrongen ook het onderwijs. Het gaat dan om
het maximaliseren van contrôle, transparantie en winst. Door de
socioloog Max Weber en de filosoof Jürgen Habermas (Technik und
Wissenschaft als Ideologie) is deze ontwikkeleling nauwkeurig
voorspeld. De gevolgen zijn ijzeren kooien van bureaucratie,
totalitaire contrôle of in elk geval totaal-contrôle en onevenredige
machtsuitoefening van managers. Tegelijk taak raakte de burger
ontvoogd (hij moest en kon kiezen en participeren) en ontwikkelde de
industriële maatschappij zich tot een dienstverlenende. Zo komen we
uit bij een burger die niet alleen mondiger over komt maar ook een
levensstijl wenst en koopt. Nauw bij deze visie sluit een betoog van
P. F. Thomése aan in de NRC van 24 oktober waarin hij constateert
dat communicatie steeds meer verwordt tot onderlinge terreur.
In het onderwijs werden leraren met goede vakkennis en – kunde
verdacht, zeker als ze goed les konden geven en de leerlingen
boeiden. Dergelijke taferelen en onderwijsvertoningen kregen iets
zieligs en pasten niet meer in het nieuwe onderwijsconcept van het
college van bestuur en zijn adjudanten. Gezond verstand en wijshuid
smolten weg als sneeuw voor de zon. De eerste krenking (de
democratisering van de leerling-leraar-verhouding), waar veel
leraren van harte aan meewerkten (tot bepaalde hoogte terecht), is
gevolgd door een bedrijfsmatiger inrichting van het onderwijs (de
MacDonaldisering), de tweede krenking dus, die tot veel al of niet
expliciet verzet opriep en oproept. De leerling werd geleidelijkaan
gezien als een onderwijsklant die recht heeft op onderwijservaringen
die hem bevallen. Onderwijs is voldoen aan zijn leerbehoeften. In
allerlei betogen over nieuw leren klinkt deze ideologie door, en dat
gaat ten koste van de goede onderwijsideeën die in deze benadering
aanwezig zijn.
Kernzaak is echter wel dat juist de ervaringen van de leraar
leerstof zijn. Die moeten in het geding gebracht worden bij de
leerlingen en de leerlingen moeten dan ook een houding ontwikkelen
dat ze daar voor open staan en meewerken aan leermogelijkheden.
Onderwijs behoort gebaseerd te zijn op willen weten en willen
kunnen. De leerling staat dus niet centraal wat de keuze en de
kwaliteit van de leerstof (een selectie uit de cultuur) betreft,
maar zijn kenmerken staan wel in het middelpunt van de aandacht als
het gaat over de wijze waarop het onderwijs het beste vorm kan
krijgen. En dan komen pedagogische en onderwijskundige doelen in het
vizier. Leerplezier is niet een doel van de school maar wel een
eventueel beoogd effect. Hoe meer je plezier en leuk onderwijs als
doel proclameert, deste groter is de kans op een paradox: het
plezier is dan ook geprogrammeerd, dus niet haalbaar.
Een beknopt geformuleerde herziening van kernzaken en klerntaken
houdt niet in dat het klassieke vormingsideaal beleden en
gepraktiseerd kan worden, zoals voorheen. De wereld is daarvoor te
ingrijpend veranderd. Over de taak van opvoeding en onderwijs in
relatie met snelle en ingrijpende veranderingen, bijvoorbeeld op het
terrein van informatietechnologie, is nog onvoldoende nagedacht. Men
kan prima staande houden dat het onderwijs nieuwe trends moet
volgen, maar het standpunt dat juist het onderwijs daarvan eveneens
wat afstand moet nemen is goed te verdedigen. Het zal wel aankomen
op een mengsel van beide visies, en dat is dan ook het
praktijkprobleem. Wat er ook allemaal van zij, de meeste leerlingen
hebben degelijk onderwijs nodig om te leren in een complexere wereld
zelfstandig en zelfverantwoordelijk te kunnen leven. De taak van de
leraar als cultuurbemiddelaar is daardoor moeilijker geworden, zowel
in een rol als lesgever als in een rol als coach.