logo

[Terug naar hoofdpagina] [Contactgegevens]

MENINGEN

Gehele of gedeeltelijke overname wordt graag aangemoedigd.

HERDENKINGSMOE en OVERKILL                                       
De column Herdenkingsmoe van Joris Dierendonk in het Noordbrabants Historisch Nieuwsblad (juli 2007) roept enkele interessante vragen op. Ze raken namelijk de essentie van historische wetenschappen. Een vreemde column voor een historicus naar mijn mening.
Allereerst is er de vraag wie er nu herdenkingsmoe kan zijn. Dat zijn toch niet de mensen die een bepaalde zaak herdenken. Integendeel, deze mensen en hun aanhangers zijn gemotiveerd en actief om iets te herdenken. Enige reflectie leert dat juist bepaalde historici, namelijk degenen die in een rol zitten dat ze allerlei herdenkingen moeten/willen bijbenen, inderdaad wel eens overbelast kunnen raken met veel informatie. Om kort te gaan: Joris is waarschijnlijk zelf herdenkingsmoe en beschuldigt nu maar de rest van de wereld.
Verder is het wel merkwaardig dat nu uitgerekend een historicus een hekel lijkt te hebben aan veelvuldig herdenken. De essentie van historische studie en onderzoek is nu net het verleden her-denken en dat wil zeggen: opnieuw denken en bezien vanuit hedendaags perspectief en het onderkennen van veranderingen in visies en waarderingen, met ook nog een mogelijkheid op reflectie en kritiek op ons huidige doen en laten. Juist door het feit dat een aantal burgers het terugkijken-naar-voorheen interessant vinden en de maatschappij het herdenken een legitieme zaak acht, komt er geld vrij om bepaalde wetenschappelijke projecten uit te voeren die anders niet uitgevoerd hadden kunnen worden. Bijsterveld heeft met de uitspraak Mag het ook nog ergens over gaan? echt niet de nieuwe Geschiedenis van Brabant op het oog gehad maar wel het feest op de vijver van het provinciehuis. Dat was ook flauwekul, maar best leuke.
Een derde punt van aandacht is dat nu juist herdenkingen educatieve momenten zijn in het leven van volwassen burgers maar vooral ook in het leven van kinderen. In het onderwijs wordt nu juist aan dit soort herdenkingen nogal eens aandacht besteed. Daar zijn vele voorbeelden van te noemen. De leraren en kinderen blijken helemaal niet herdenkingsmoe.
Tenslotte: het is inderdaad waar dat allerlei herdenkingen niet alleen bedoeld zijn om historische gangen en standen van zaken beter te doorgronden. Het gaat niet altijd om het dienen van ‘de’ waarheid. Er zijn dan ook andere intenties en minstens andere effecten aan de orde. Soms zijn deze hoofdzaak. Maar…..er zou een interessante column besteed kunnen worden aan de objectiviteit en waardenvrijheid van historisch onderzoek. Voor welke karretjes kan dat gespannen worden?
Laat Joris nu juist een eervolle vermelding verdienen met zijn verhaal over Willem van Oranje. Deze persoon werd grondig herdacht. Hopelijk neemt Joris er in een volgende editie van zijn tekst ook het verbod bij om verder te gaan met het onderzoek van skeletten die gevonden zijn in de Onze Lieve Vrouwekerk in Breda. Zijn kortzichtige column zij hem hierbij grootmoedig vergeven.

WELK EUROPA?
Vlak voor het referendum over de zogenaamde Europese grondwet schreef ik een artikel 
‘Wie voor Europa is, stemt tegen’. Het Eindhovens Dagblad plaatste het stuk, maar veranderde jammer genoeg de kop. Die kop gaf namelijk precies aan wat ik bedoelde. Gezien vanuit het belang van ons land (waar onze politici zo graag op hameren), maar ook vanuit het streven naar een wat rechtvaardiger wereld is een sterk Europa van groot belang. Sterk in geestelijk, cultureel, sociaal en economisch opzicht. Ik ben dan ook een overtuigd voorstander van een Verenigd Europa. Wie echter van (delen van) de gebundelde verdragsteksten studie maakt, komt tot de conclusie dat het zeer goed was om de zelfgenoegzaamheid van de voorstanders van dit beoogde Europa een dreun toe te brengen. Dat is uitstekend gelukt. Als de ‘grondwet’ aangenomen was en er geen periode van frustratie en reflectie was geforceerd, dan zaten we nu in een voortdenderende niet meer te rangeren en bij te sturen Europatrein en dat zou onder meer betekenen: 
-Een ondemocratisch Europa: 
het parlement heeft geringe macht, de lobbynetwerken zijn zeer groot en ondoorzichtig, 
en al helemaal is niet duidelijk de verhouding van de nationale politiek met die van Europa. Ik heb zelf sterk de indruk gekregen dat vooral bestuurders Europa misbruikten en misbruiken om zaken door te drukken. Er wordt gedaan alsof Europese regelgeving als een soort noodlot of onontkoombare ontwikkeling over ons land en de burgers heen komt. 
Niet wordt vermeld dat op allerlei manieren die regels met opzet juist bij Europa neergelegd zijn om ze te onttrekken aan de nationale politiek waarop de burgers wel wat invloed hebben. 
-Een Europa met een kennelijk onbegrensd vertrouwen in een westers-kapitalistische ideologie, zeg maar een eenzijdig liberale of neoliberale visie op leven, mens, maatschappij en wereld. Na de val van het communisme werd dit in korte tijd het geloof van de belangrijkste politieke partijen (CDA, PVDA en VVD) die bovendien ook nog trouw met de USA meelopen. Onlangs publiceerde Noam Chomsky in The Independent een artikel 
waarin hij zegt dat de Amerikaanse machtspolitiek de grote principes van vrijheid, 
gelijkwaardigheid en oprechte democratie afgezworen heeft. Juist uit het communisme 
zien we in sneltreinvaart vormen van staatskapitalisme voortkomen die allerlei principes 
van de traditionele westerse wereld met voeten treden en die erg weinig respect hebben 
voor de menselijke persoon als individu. Wie het standpunt huldigt dat de toekomst aan de huidige opvatting van liberalisme en het kapitalisme is, moet weten dat onze waarden 
in die strijd zullen sneuvelen. Juist Europa zou veel minder de waarde van ‘geld, geld en 
nog eens geld’ moeten proclameren en naar een meer geleide wereldeconomie moeten 
streven. Het is het enige deel van de wereld dat in dit opzicht zeggingsmacht heeft. 
- Een corrupt Europa: 
beide hiervoor genoemde factoren brengen automatisch een derde voort namelijk: 
machtsmisbruik en corruptie. En daar zijn voorbeelden genoeg van. Dus: meer transparantie en meer overzicht, inzicht en toezicht.

Europa moet een ‘crisis’ benutten om goed na te denken over haar missie, doelen en wijze van functioneren. Het is een werelddeel (dat in bepaalde propaganda uiteraard ‘oud 
en versleten’ wordt genoemd) met in potentie grote geestelijke kracht. Die moet echter wel uit de verf kunnen komen, en dat is tot nu toe zeer onvoldoende het geval. Europa mag niet meegesleurd worden in een overheersend kapitalistische globalisering die, als het erop aankomt, van alles goedkeurt wat niet deugt: uithongering van volkeren, het oneerlijk belasten van landen met onmogelijke schulden, het uitmoorden van burgers, mensen degraderen tot werkezels annex consumptiemachines, terrorismebestrijding misbruiken voor wat men al wilde: een contrôle- en repressiemaatschappij, de gedrogeerde ‘samenleving’, schijndemocratie en ‘fascisme met een lachend gezicht’ (Erich Fromm), ondermijning van solidariteit, bijvoorbeeld van zorg voor medemensen, uitholling van rechtsstaten, uitbuiting van de natuur en deze tot handel en koopwaar maken (via ‘rechten’). 

Conclusie: op naar een Europa dat zich richt 
op een humane wereld ! 

 

ONDERWIJS EN ECONOMISCH BELANG
Nog nooit eerder gezien in het prestigieus wetenschappelijk tijdschrift Vierteljahrschrift für wissenschaftliche Pädagogik(4/2005): ongeveer 220 hoogleraren in de pedagogiek protesteren tegen de huidige tendens van een eenzijdige economische sturing én controle van alle scholen, hogescholen en universiteiten, "damit das kritische Nachdenken über Sinn, Zweck und Folgen dieser Anordnungen verhindert werde. Sowohl die Ergebnisse der PISA-Studien als auch der sogenannte Bologna-Prozess werden politisch instruimentalisiert und sollen Steuerungs- und Kontrollillusionen nähren, die bereits in den 70er Jahren enttauscht wurden"(p. 453). 
Hier volgt hun vijfvoudig protest.
1. Wij verzetten ons tegen de illusie van een partijpolitiek overstijgende onderwijspolitiek die het hele onderwijs naar bedrijfseconomische maatstaven in de greep wil krijgen.
2. Wij spreken de bewering tegen dat het bij deze hervorming van het onderwijs zou gaan om meer autonomie van scholen, hogescholen en universiteiten.
3. Wij houden het voor een zware vergissing, met ernstige gevolgen, als beweerd wordt dat de 'Erziehungswissenschaft' slechts dan haar officiële opdracht vervult als zij onmiddellijk beschikbare nuttige resultaten(van onderzoek op korte termijn) aangeeft voor politiek en praxis. Het is steeds noodzakelijk het wetenschappelijk onderzoek te plaatsen in een historische én filosofische context. "Ohne die Aufnahme der reflektierenden Kritik verkommt Bildungspolitik und Bildingspraxis schnell zu einer Hektik von Massnahmen und zu blinder Anpassung an die jeweils als neue Lösung propagierte Reformmode""(p. 455). 
4. Wij protesteren tegen de verdere uitholling van de universitaire studies, in het bijzonder van de lerarenopleiding door een toenemende 'Verschulung'. Toekomstige leraren worden enkel nog gezien als instructie-coaches die alleen nog de onderrichtingen van hogerhand dienen uit te voeren. 
5. Wij spreken de heersende mening tegen dat het opzetten en uitvoeren van prestatietests inzake zogenaamde basiscompetenties hét geëigende middel zou zijn om de democratisering en de gelijke kansen te bevorderen. 
Deze hoogleraren besluiten: we kunnen niet meer lijdzaam toekijken. Het universeel systematische karakter van deze bedrijfseconomische hervorming zal ernstig pedagogisch werk verhinderen. Wetenschap en Bildung worden vanuit externe doelen gestuurd. Het waarheidsstreven van mensen wordt onmogelijk gemaakt. 
Zie het artikel: Andreas GRUSCHKA e.a., Das Bildingswesen ist kein Wirtschaft-Betrieb, Fünf Einsprüche gegen die technocratische Umsteuerung des Bildungswesens. P. 453-459. 
Nog nooit eerder gezien in het prestigieus wetenschappelijk tijdschrift Vierteljahrschrift für wissenschaftliche Pädagogik(4/2005): ongeveer 220 hoogleraren in de pedagogiek protesteren tegen de huidige tendens van een eenzijdige economische sturing én controle van alle scholen, hogescholen en universiteiten, "damit das kritische Nachdenken über Sinn, Zweck und Folgen dieser Anordnungen verhindert werde.Sowohl die Ergebnisse der PISA-Studien als auch der sogenannte Bologna-Prozess werden politisch instruimentalisiert und sollen Steuerungs- und Kontrollillusionen nähren, die bereits in den 70er Jahren enttauscht wurden"(p. 453). 
Hier volgt hun vijfvoudig protest.
1. Wij verzetten ons tegen de illusie van een partijpolitiek overstijgende onderwijspolitiek die het hele onderwijs naar bedrijfseconomische maatstaven in de greep wil krijgen.
2. Wij spreken de bewering tegen dat het bij deze hervorming van het onderwijs zou gaan om meer autonomie van scholen, hogescholen en universiteiten.
3. Wij houden het voor een zware vergissing, met ernstige gevolgen, als beweerd wordt dat de 'Erziehungswissenschaft' slechts dan haar officiële opdracht vervult als zij onmiddellijk beschikbare nuttige resultaten(van onderzoek op korte termijn) aangeeft voor politiek en praxis. Het is steeds noodzakelijk het wetenschappelijk onderzoek te plaatsen in een historische én filosofische context. "Ohne die Aufnahme der reflektierenden Kritik verkommt Bildungspolitik und Bildingspraxis schnell zu einer Hektik von Massnahmen und zu blinder Anpassung an die jeweils als neue Lösung propagierte Reformmode""(p. 455). 
4. Wij protesteren tegen de verdere uitholling van de universitaire studies, in het bijzonder van de lerarenopleiding door een toenemende 'Verschulung'. Toekomstige leraren worden enkel nog gezien als instructie-coaches die alleen nog de onderrichtingen van hogerhand dienen uit te voeren. 
5. Wij spreken de heersende mening tegen dat het opzetten en uitvoeren van prestatietests inzake zogenaamde basiscompetenties hét geëigende middel zou zijn om de democratisering en de gelijke kansen te bevorderen. 
Deze hoogleraren besluiten: we kunnen niet meer lijdzaam toekijken. Het universeel systematische karakter van deze bedrijfseconomische hervorming zal ernstig pedagogisch werk verhinderen. Wetenschap en Bildung worden vanuit externe doelen gestuurd. Het waarheidsstreven van mensen wordt onmogelijk gemaakt. 
Zie het artikel: Andreas GRUSCHKA e.a., Das Bildingswesen ist kein Wirtschaft-Betrieb, Fünf Einsprüche gegen die technocratische Umsteuerung des Bildungswesens. P. 453-459. 

PLEIDOOI TEGEN RESPEKT

Jos Verhulst heeft in Brussels Journaal van 29 januari 2006 zijn verhaal gedaan over respect en respect. Zie ook Iskander van 30 januari 2006. We laten hem ruimschoots aan het woord.
"De politieke kaste predikt 'respect'. Het opleggen ('enforcement') van een 'culture of respect' wordt bijvoorbeeld nadrukkelijk gepredikt door Tony Blair [pdf]. Ook in Vlaanderen staan respectridders pal. Herman Van Rompuy pleit op zijn weblog (12 januari) voor 'respect', dat staat tegenover individualisme en bovendien afdwingbaar moet zijn door de wet: "Respect heeft betrekking op alles wat met identiteit te maken heeft: taal, cultuur, geaardheid, opvattingen, godsdienst, fysieke levenswijze (...) Respect moet afdwingbaar zijn door de wet (...) In Vlaanderen is er nog teveel schroom omdat we nog altijd gevangen zijn in het politiek-correcte denken. Bij ons staat het individualisme nog centraal en niet het verantwoordelijkheidsgevoel. Respect moet ook hier een sleutelwoord worden." Van Rompuy prijst Tony Blair. 

Bart Claerhout (Tertio, 18 januari) heeft het ook over 'respect'. Ook hij prijst Tony Blair, ook hij plaatst 'respect' tegenover 'individualisering', ook hij meent dat 'respect' betrekking heeft op "elkaars geaardheid, cultuur en identiteit" en ook hij vindt dat de staat dit 'respect' moet opleggen en afdwingen: "Om niet nog maar eens voor cultuurpessimist te worden aangezien, willen we allereerst benadrukken dat de individualisering en de bijhorende tolerantie (...) heel wat positieve kanten hebben. Toch mogen we niet blind blijven voor de minder fraaie nevenaspecten die met de individualisering gepaard gaan. De ontzuiling en de ontkerkelijking hebben tot een grote mate van ethisch relativisme geleid en tot een postmoderne instelling dat het een niet beter is dan het ander. Als alles relatief is, is de stap naar 'alles moet kunnen' snel gedaan (...). De grote uitdaging voor de overheid is nu hoe ze de samenleving opnieuw respect, fatsoen en individuele verantwoordelijkheid kan bijbrengen." 

'Respect' blijkt dus verschuldigd. Maar leidt deze eis niet tot contradicties?(.) 

Merk op hoe zowel Van Rompuy als Claerhout de afdwinging van het 'respect' als een taak voor de staat beschouwen. Dat betekent niets meer of niets minder dan dat de individuele zielen en geesten van de mensen volgens deze denkers onder staatscuratele worden geplaatst. De respectpredikers willen niet alleen 'respect' opleggen voor de organisaties, denkbeelden en praktijken die hun voorkeur wegdragen, zij willen ook in het algemeen de staat promoten als een instantie, die de burgers moreel moet opvoeden - bijvoorbeeld door hen 'respect' bij te brengen. 

Door de staat uit te roepen tot morele opvoeder van de individuele burgers, streeft de politieke kaste (die de staat in handen heeft) een drastische uitbreiding na van haar macht. Niet enkel het uiterlijke, doch ook het innerlijke leven van de individuele mens dient volgens deze visie door de politieke elite te worden geleid. Het idee dat de staat de burgers moreel moet opvoeden, is logisch onverenigbaar met het democratisch ideaal. Een democratische staat heeft te wachten op wat de soeverein oordelende burgers aan morele oordelen voortbrengen, en op wat de burgers vanuit hun samengebrachte inzichten tot wet verheven wensen te zien. Indien de staat zelf de productie van morele inzichten uit de handen van de burgers wil nemen, dan maakt de staat in laatste instantie zijn eigen wetten. Dan wordt de staat zijn eigen doel en dan worden de individuele burgers de slaven van de staat. Dat politici zo graag tegen het 'individualisme' fulmineren, wordt verklaard door het feit dat zijzelf controle willen verwerven over de 'for intérieur' en het intieme moreel oordeel van de burgers(.)Door zogezegd 'respect' met boetes en gevangenisstraffen af te persen, maakt de politieke klasse en haar staat het juist onmogelijk dat mensen nog authentiek respect ontwikkelen, want authentiek respect kan alleen in vrijheid ontstaan. Overtuigingen, religies enz. moeten respect verdienen, en dat kan alleen in een omgeving waarin vrij kan worden gesproken en geoordeeld, zonder enige respectdwang. 

Er is dus respect en 'respect'. Authentiek respect is respect voor de individuele vrijheid. Authentiek respect is schroomvol tegenover de geest en legt geen inhouden of overtuigingen op. Dit authentieke respect is het vlees en het bloed van de rechtsstaat. Enkel en alleen de bescherming van de individuele vrijheid kan het doel zijn van de rechtsstaat(.)Opdat de burgers van de individuele vrijheden zouden kunnen genieten, is het noodzakelijk dat de staat van diezelfde vrijheden totaal verstoken blijft. In de mate dat de staat het middel is waarmee de burgers hun wederzijdse vrijheid concreet vorm geven, dient te staat zich zelf te onthouden van gelijk welke interventie op het vlak van ideeën, opvattingen en culturen, dient de staat zich niet te bemoeien met het stemgedrag van de burgers en dient te staat zelf zich te onthouden van iedere vorm van discriminatie. Een democratische staat onthoudt zich van iedere actieve interventie in gelijk welk debat, doch wacht op de ideeën die door het vrije debat ontstaan, en die uiteindelijk uitkristalliseren in wetten. Een democratische staat onthoudt zich van iedere vorm van discriminatie, juist om te kunnen garanderen dat de burgers zelf in alle vrijheid kunnen discrimineren". Tot daar Verhulst. 
Commentaar. Niets blijkt zo moeilijk als een juiste en evenwichtige visie op 'het individu'. Het 'zijn' van de individuele mens vindt niet plaats zonder het dialogale. De mens is slechts mens door het dialogale karakter van zijn 'zijn', dit is door de funderende relaties met de medemens, de wereld en de zijnsgrond van de werkelijkheid. Het gevaar is niet denkbeeldig dat 'het individu' als een werkelijkheid op zich wordt gezien, en dan komen we in de problemen, ook in de pedagogische problemen. Het sterkst drukt Levinas dit uit. De Ander is mijn Leraar. Het spreken van de Ander, bijvoorbeeld de Leerling, is een volstrekte openbaring voor mij, bijvoorbeeld als leraar. Bovendien staat de Ander niet alleen tegenover mij, hij staat ook hoger. Levinas spreekt van de goddelijkheid van het Gelaat. Hier wortelt het diepe respect dat de leraar voor zijn Leerling behoort te hebben. Is Jos Verhulst het daarmee eens?


INTELLIGENT DESIGN

De discussie tussen voor- en tegenstanders van het intelligent design is inhoudelijk onbevredigend. Teveel herhaling van wat allang bekend is. Teveel discussie naast elkaar. Ook is er het punt dat in heel wat visies pro en contra een grote mate van irritatie door klinkt. Opvallend is dat de voorstanders van de hypothese van een ‘íntelligent design’ gemakkelijk gelijkgesteld worden met creationisten. Daar zit iets slims achter: de tegenstanders namelijk laten zich geen knollen voor citroenen verkopen en drinken liever jonge wijn uit juten zakken. Ze hebben wel door wat er allemaal achter zit. Een hoog niveau van kritische zin dus. 

Er wordt in die ijver echter toch een kleinigheid over het hoofd gezien: creationisten wijzen de evolutietheorie af en degenen die een intelligent design veronderstellen doen dat meestal niet. Wie zegt dat niet alleen ‘natuurlijke selectie’ de enige verklaring voor ‘evolutie’ is, schept natuurlijk wel ruimte voor ook een andere verklaring. De vraag waar het om gaat, wordt dan of de evolutietheorie een ander principe inderdaad uitsluit. Mag dat principe meegedacht worden of niet? Gaat het inderdaad om het een of het ander, of mag ‘beide’ook? Als beweerd wordt dat dat meedenken slecht is voor de ontwikkeling van de theorie, dan kan dat wel eens waar zijn: een theorie heeft immers baat bij methodologische eenduidigheid. Maar wat voor een zuivere en krachtige theorie van belang is, is nog niet hetzelfde als de enige waarheid over kosmos, aarde en levenssoorten.

 De vraag van Leibnitz Waarom is er iets en niet niets? zou ik daarom als volgt willen aanpassen. Wat is rationeler: de totale werkelijkheid komt voort uit NIETS of ze komt voort uit IETS. Het aannemen van IETS is volgens mij niet in tegenspraak met de evolutietheorie zoals die tot nu toe feitelijk uitgebouwd is. Het probleem om een goede naam te bedenken voor de mogelijkheid van een oorsprong is veel meer een kwestie van emoties dan van zakelijke redeneringen. Godsdiensten reiken meestal wat interessante suggesties aan. Aardige redeneringen treffen we bijvoorbeeld aan bij Thomas van Aquino die hoogleraar in Keulen was. Mogen die ideeën van Pierre Teilhard de Chardin meegenomen worden in een wetenschappelijke discussie over de evolutietheorie? 

Nog een relevante overweging is de volgende. Dat tijd van commentaar geven op de geponeerde waardenvrijheid van natuurwetenschappelijke, empiristische, experimentele wetenschapsbeoefening ligt ver achter ons. In tal van publicaties is indertijd betoogd dat deze waardenvrijheid in feite zo uitwerkte dat een bestaande economische (en politieke) orde overeind kon blijven. Er ging geen politieke oproep tot verandering van uit. Kan het zijn dat het geloven in een evolutietheorie ZONDER oer-beginsel van groot belang is voor een economisch stelsel? Door welke ideologie wordt consumentengedrag het meest bevorderd? Wie ook in een oor-sprong gelooft, kan makkelijker in de verleiding komen om welvaart wat betrekkelijker te zien. Het gevaar dat een andere visie op mens en wereld praktische gevolgen kan hebben is dan niet denkbeeldig. Dit alles kan zelfs leiden tot een zekere afbraak van ‘steeds meer en meer’. De ‘hemel’ (die niet de evolutietheorie thuis hoort) beware ons voor dit gigantische onheil! 

 
NIET KLAGEN MAAR DRAGEN EN BIDDEN

Onlangs verscheen van notaris Sebastiaan Roes uit Groenlo, de stad van Grolsch, een buitengewoon opmerkelijk boek dat begint met een hoofdstuk met de titel Omringd door gekken. Dit soort personen komt vooral voor de in de voormalige generaliteitslanden, in het bijzonder in de Achterhoek, Friesland en De Kempen. Deze gekken passen bij de bevolking die niet allerlei zaken in het leven afvinkt met het kriterium ‘onzin’, en juist meer ruimte laat voor het afwijkende, onbegrijpelijke, traditionele, dus ook voor God, hel, vagevuur en hemel. Maar die ook weg kan zinken in banaliteit. Ik herinner hierbij even aan de volgende passage in Lof der Zotheid (1511) van Erasmus: “Terecht zegt men dan ook van de Brabanders dat, terwijl bij andere mensen het verstand met de jaren pleegt te groeien, zij naarmate zij ouder worden steeds zotter worden. Toch is er geen ander volk dat in de dagelijkse omgang aardiger is, of zich minder aantrekt van de onaangenaamheden van de ouderdom”. Roes is een echte Achterhoeker en dicht ook in de volkstaal. In zijn betoog neemt hij ook gedichten van hem op in het dialekt van Groenlo en omgeving. Opmerkelijk is dat hij zijn gedichten ook uitlegt, terwijl de Randstad toch leert dat de lezer moet uitleggen wat de dichter bedoelt.

Kernidee in het boek is een eenheid tussen de volgende opties: klagen helpt niet, je lot moet je waardig dragen (dus dragen als waarde, lijden als waarde) en dat lukt je alleen maar als je je kunt vernederen door plat op de aarde te vallen in erkenning van wat we niet en nooit zullen begrijpen. Deze gedachte komt van een zekere Steef in Winssen. Hij liet aldaar op het ‘notarishuis’, na het overlijden van zijn vrouw een bord bevestigen met de tekst: ‘Niet klagen maar Dragen en Bidden om kracht’. Het boek van Sebastiaan Roes is een uitwerking van deze gedachte. Een gedachte diewel enige toelichting behoeft.

Klagen? Mensen kunnen terecht klachten hebben en ze zijn stapelgek als ze die niet weloverwogen tot uitdrukking brengen. Het recht om te klagen past echter ook positief in onze kapitalistische klantvriendelijkheid en de praktijken van overheidsbesturen. Klagen mag best en is zelfs win-win. Elke klacht is een gratis advies, wordt in tal van powerpoint-presentaties naar voren gebracht. Maar wie echt door klaagt, ontdekt de ware aard van de belangen. Er is natuurlijk misplaatst klagen: veel kortzichtig gezeur en soms ook verblinding en eigenwaan. Er zijn mensen die verslaafd zijn of lijken aan klagen. Er bestaat echter ook een echt en terecht klagen, als tegenspoed en onheil zich indringend toont. Het gaat dus eigenlijk om de vraag wanneer in het perspectief van de menselijke waardigheid klagen oprecht en integer is en wanneer niet.

Of je nu klaagt of niet: dragen moet, maar er is een groot verschil tussen waardig en welbewust dragen en de beklagenswaardige persoon uithangen. Dragen is eigenlijk in de ogen van Roes een aanvaard lijden. Lijden met een rechte rug, een open geest en een doorleefde bezieling. Dat kan alleen maar voor wie zich schoolt in de deugden, dus in wat deugt. De goddelijke deugden betreffen geloof, hoop en liefde. De liefde maakt geloof en hoop eigenlijk overbodig: ze is de belangrijkste deugd. Liefde is het ideaal , de moraal het noodzakelijke surrogaat. Uiteraard past daar bij het onderscheid tussen de philia (vriendschap), de agapè (de naastenliefde) en de eros.(hartstocht). Vervolgens hebben we de kardinale deugden, namelijk: de wijsheid (prudentia), de rechtvaardigheid (justitia), de matigheid (temperentia) en de moed (fortitudo). Van de prudentie zegt Augustinus: Bezonnenheid is liefde die met inzicht kiest. Wat een glanzende formule! De rechtvaardigheid is hier de meest indringende deugd; de moeder van alle deugden; ze is absoluut, op zichzelf en in zichzelf goed. Maar dat is alleen maar in te zien voor de mensen die de andere deugden beseffen. Door dit alles kan het lijden dragelijk (= dragen) worden. Zo verheft zich de ziel aldoende.

Maar we moeten het dragen vol zien te houden. Beoefening van de deugden en de daarbij horende kennis en inzicht ondersteunen daarbij. Ze geven de mentale kracht die nodig is. In uiterste instantie helpt bidden, bepleit Sebastiaan Roes. Uit onderzoek blijkt dat mensen dat tegenwoordig graag onder de dekens doen, en veel meer dan aan de buitenkant van het dagelijkse leven lijkt. In een soort communicatie met het totaal Andere probeert de mens in zijn eigen ziel te kruipen. Hij komt daar met dingen die elders niet (tenvolle) verwoordbaar zijn. Alles kan op tafel gelegd worden: je agressiefste haat, bitterste nood, hevigste hoop en verlangen, opperste twijfel, diepste angst en grootste vreugde. Nou ja, eigenlijk alle hoofdemoties, hoe je ze ook indeelt, kun je dan ook echt kwijt. Je reflecteert op de diepste laag van je mens-zijn. En dat kan omdat je je onderwerpt en je eigenwaarde geparkeerd hebt. De passages die Roes hieraan wijdt zijn van alle tijden. Hij laat zich niet intimideren met wat de geest van deze tijd proclameert, al beseft hij die grondig. Ik citeer: “Wanneer onze wil en onze intentie onafgebroken gericht zijn op zelfbeheersing, studie, de beoefening van de kardinale en de goddelijke deugden, op God en Zijn Liefde: wat hebben wij dan van het laatste oordeel te vrezen?” Naar mijn mening niets.
Prof. Dr. Sebastiaan Roes, Cultura Animi. Een pleidooi voor de veredeling van de ziel, Nijmegen 2010

TIJDELIJKE NUT VAN DOELLOOSHEID

In de Hermittage in Amsterdam was er een tentoonstelling over Alexander de Grote (356 – 323 voor Christus). Hij ondernam vanuit Macedonië veldtochten, in 10 jaar tijd zo’n 24000 kilometer. Plutarchus laat merken dat Alexander verslaafd was aan steeds meer uitdagende en zelf opgelegde doelen. In hem werkte onontkoombare dwang om het presteren vol te houden en te vergroten. Van zijn leermeester Aristoteles leerde Alexander niet het verschil tussen middelmaat en middenweg. Ik herinnerde me op die expositie het verhaal van een groep beklimmers van de Mount Everest. Uit heel veel bleek dat deze groep het onmogelijke karakter van de beklimming onderkend moest hebben: alle omstandig waren volledig negatief. Maar de groep vertrok toch en acht beklimmers kwamen om. Het bleek onmogelijk om een zelfmoordtocht af te remmen en tegen te houden. Op de expositie kwam ik een ex-schoolleider tegen die begon te vertellen over een intern begeleidster die ik ook gekend had: een pracht meid met een uitstekende performance, en met een grote drang om kwaliteit te leveren. Een succesvol onvermoeibaar perfectioniste. Ze had zelfmoord gepleegd, op een uitermate stijlvolle wijze. Geen amateuristisch geknoei maar ook hier meesterschap.

Wat is er in deze situaties aan de hand geweest en is er overeenkomst? Kennelijk kan sterke gerichtheid op het behalen van resultaten en successen, leiden tot ‘in de ban’ geraken; het doel neemt de persoon te pakken. Zozeer in de ban dat het risico van de mislukking geen rol meer speelt. Gewoonlijk zullen we de verklaring zoeken in woorden als ‘verblinding’ en dergelijke geruststellingen. Lijkt me te gemakkelijk: het is ingrijpender. Deze en andere personen wisten rationeel heel goed wat hun te wachten zou komen te staan. Externe gedrevenheid moeten we wellicht meer in verband zien met driftmatigheid die niet met ratio te temmen is. Nog sterker gesteld: zou een rampzalige ondergang soms een mooiere voltooiïng zijn dan terug (moeten) komen op aan jezelf gestelde eisen. Leidt een te zware concentratie op doelen, doelstellingen, targets tot een nederlaag?

Wat te doen als een gedrevenheid werkt of gaat werken als een zware drug? Harde confrontatie kan uitkomst bieden, maar alleen als deze ingebed is in een proces van contact houden en on speaking terms blijven. Ingewikkelde interactie. Het is veel beter om vooraf een referentiekader te ontwikkelen waarin mensen kunnen voorzien wat hen in bepaalde situaties en in bepaalde gemoedsstemming kan overkomen, kennelijk met open ogen en toch onvermijdbaar. Daarbinnen is aan de orde: kunnen nadenken over loslaten en laten lopen, over een zekere maakbaarheid van het leven maar ook over wat je kan overkomen en overweldigen, over existentiële winst en verlies, dus ook over geduld en het waardevolle van een zekere ontvankelijkheid en passiviteit. De filosoof Cornelis Verhoeven zag overmatige en onbeheerste activiteit (activisme) als een voedingsbodem van facisme.

Reflectie in het kader van de competenties van de leraar is gericht op rollen en taken binnen het beroep. Dat kader is te beperkt om echt na te denken over productief en contraproductief presteren in opvoeding en onderwijs. Een bredere context is nodig en die moet gaan over de maatschappelijke en economische bepaaldheid van veel doelen, belangen en passies, over geloof, cultuur, wetenschap en ideologie, over goede relaties, voldoening en geluk, en over opvoeding, opvoedingsmogelijkheden en werkelijke opvoedingsresultaten.

Merkwaardig: de geest-drift zet dan andere gedrevenheden op hun plaats. Hulde dus aan de leraar die op een vrijdagmorgen tegen de groep zei: ik stel voor dat we vandaag eens helemaal niets presteren. De groep ging schilderijen kijken. Of de schoolleider die de onderwijsinovatie een paar maanden opzij zette. Het team ontdekte dat je opbrengstgerichtheid gewoon zelf kunt bedenken. Of Basisschoolmanagement dat serieuze artikelen publiceert en toch deze column een bladzijde gaf.
 

DE VERONTSCHULDIGING

Op allerlei maatschappelijke fronten gingen en gaan er zaken buitengewoon ernstig mis: in de politiek, bij justitie, in de bankwereld, in de klimaat-wetenschappen en in opvoedingsinstituten die van de Katholieke kerk. Dan blijkt dat slachtoffers, maar ook de media en het grote publiek veronderstellen en eisen dat er excuses gemaakt worden. Dat is een soort fatsoensnorm. Er is een massale golf van excuses eisen.
In de politiek is het besef van ministeriële verantwoordelijkheid aan het verdwijnen. Persoonlijke schuld en ministeriële verantwoordelijkheid lopen door elkaar, worden verward en de uitkomst is dan uiteraard dat iemand die geen persoonlijke schuld heeft, ook niet hoeft op te stappen. Een redmiddel is dan het aanbieden van excuses, een tak van sport die steeds meer beoefend lijkt te gaan worden. Toch is opstappen zonder persoonlijke schuld noodzakelijk in een democratie. In bestuurlijk Nederland wordt er voor een persoon die zich op deze wijze opoffert vaak goed gezorgd. Salarieel is de afstraffing meestal een aardige stijging van het salaris.
Ook als oversten van een congregatie excuses aanbieden voor seksueel misbruik in de congregatie of orde, dan heeft dat vaak niets te maken met dergelijk wangedrag van de betreffende persoon, integendeel: hij kan een moedig bestrijder van het kwaad geweest zijn, dat wordt echter gezien als tekortschieten en alleen zijn opgeëiste excuses tellen. Deze worden aangeboden namens de organisatie. Het verschil met de politieke benoemingen is dat hij wel aan het roer kan blijven staan als hem geen persoonlijke blaam treft.
Het Openbaar Ministerie is nu zo ver dat het na een aantal dramatische miskleunen in een bepaalde geval excuses aanbiedt. Dit heuglijke feit was zo bijzonder dat er heel wat aandacht is besteed. Het falen van bepaalde rechtbanken is al vele jaren zo duidelijk als maar zijn kan. Niet alleen strafrechterlijk maar ook bestuursrechterlijk. De al jarenlang slepende affaire Schiphol- Chiphol is een opstapeling van totaal gebrek aan integriteit, al betekent dat niet per dat Chiphol alle gelijk heeft. De pogingen om nevenfuncties van rechters in kaart te brengen en toegankelijk te maken zijn mislukt.
Zo kunnen er nog wel een aantal situaties geschetst worden. Je kunt wel zeggen dat er een onbalans is tussen de rechten van slachtoffers en de plichten van overheden en grote organisaties. De rechtspraak is om allerlei redenen niet in staat om deze onbalans te herstellen, dus om rechtvaardigheid tot stand te brengen, maar je kunt ook niet zeggen dat het justitiële apparaat op dit terrein geen positieve bijdragen levert. We kunnen vaak blij zijn dat er rechtspraak is. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat excuses aanbieden ook riskant kan zijn. In de gematigde claimcultuur in ons land (de geëiste bedragen zijn meestal niet buitensporig) kunnen excuses aangegrepen worden om aansprakelijkheid te onderbouwen. Het is dus in een aantal gevallen uitkijken geblazen. Goed gedrag kan afgestraft worden. Hier laat de maatschappij dan een zeer bedenkelijke kant zien.
In het openbare verkeer, werksituaties en op de thuisbasis wordt er ook vaak ‘sorry’gezegd.
Een nogal groot deel van dit sorry-gedrag is onschuldig, sterker nog: het is een soort beleefdheidsformule. Ze wordt gebruikt in situaties waarin zonder opzet toch enige hinder veroorzaakt wordt voor een ander. Inhoudelijk stelt het niets voor, maar het geeft een zekere charme aan de omgangscultuur. Best aardig om te ervaren dat een ander ook rekening met jou houdt. Ik richt me op situaties dat er inderdaad fouten gemaakt worden die voorkomen hadden kunnen worden. Kennelijk is er bij veel mensen juist dan een behoefte aan excuus-gedrag en levert het een soort voldoening op. Haast vanzelf betrek ik dat dan op mijzelf en ik bemerk dan dat ik buiten deze cultuur sta. Ik heb nooit behoefte aan excuses, sterker nog; ik wil ze eigenlijk niet, ook al heb ik 300 % gelijk in een bepaalde kwestie. Als ik merk dat iemand een conflict na een botsing, confrontatie of breuk respectabel opvat, dan is voor mij een knieval of een verbale formule niet nodig. Dit lijkt tot nu toe nederig, maar de waarheid is anders. Ik verwacht namelijk meer. Er groet een gewoonte in onze maatschappij om na onjuist gedrag vlot excuus aan te bieden, ‘sorry’ te zeggen, en om dat te zien als een genoegdoening op zichzelf. Je hoort het ook steeds vaker: ja, maar…hij heeft toch zijn excuses aangeboden. Dat betekent dan dat de andere ‘partij’ niet meer mag zeuren: zand erover, we gaan onbekommerd verdere, tot een volgende keer, al hopen wat dat niet. Met andere woorden: de gewoonte houdt dan in dat iemand die verkeerd handelt op een erg goedkope manier de omstreden kwestie aan de kant kan zetten. Het uitspreken van de formule was afdoende. Erger nog: het uitspreken van de excuses kan zo leeg worden dat er niets van gemeend is.
Naar mijn mening zijn excuses als ze echt van toepassing zijn alleen maar de moeite waard als ze gepaard gaan met een merkbare vorm van spijt en het tonen van een bereidheid om het onjuiste gedrag te voorkomen en om te buigen in een goede richting. Excuses krijgen pas betekenis door deze context. Je zou kunnen zeggen: als excusies gepaard gaan met zo’n houding, dan pas is er sprake van spijt en berouw, en kun je spreken van ver-ont-schuld-iging. Je duidt niet oppervlakkig iets van spijt, berouw, schuld aan, maar je hangt dat in een raamwerk van de wil om goede verhoudingen te herstellen. De onderlinge omgang en relatie moeten meteen in een toezegging meegenomen worden. Dan is er sprake van ‘iets goed maken’.
 

 

Valid HTML 4.01!