[Terug naar hoofdpagina] [Contactgegevens]
TSPEL VANDEN SACRAMENTE VANDER NYEUWERVAERT
A.C. Maas (Leende)
Inleiding
De O.L. Vrouwekerk van Breda kreeg in 1511 een stormklok, ook wel "de groote clocke" genoemd, die in 1694 bij de torenbrand verloren ging. In navolging van Gent heette de klok Roelant. Op die klok stond het volgende bijschrift:
Die tot Breda in vreught wil leven
Die moet de vrouwen de overhant geven
Wat geeft dit te denken voor het komende anderhalf uur?
Ik doe in elk geval mijn best en wil graag de volgende thema;'s aan de orde stellen:
- de datering van het mirakelspel
- de auteur
- de sacramentsdevotie
- enkele historische aspecten.
U kunt steeds reageren als u iets wilt vragen of naar voren wilt brengen.
De datering
Het spel wordt over het algemeen gedateerd in de periode tussen 1475 en 1500. Daarbij speelt een rol:
- een vermelding van een opvoering van het spel in 1500
- data uit het leven van de Brusselse stadsdichter Jan Smeken (overleden 1517)
- het jaar van overlijden van Jan van Nassau (1475).
Ik heb een jaar of veertig geleden het spel op een bijzondere manier gedateerd, en daar zal ik nu een kort verslag van geven. In een les over de Middelnederlandse letterkunde ontstond de idee om regels te gaan tellen als mogelijkheid om een getallenspel te ontdekken, en ik werkte die mogelijkheid uit in enkele artikelen, namelijk onder meer in Dagblad De Stem, Brabantia en Levende Talen. Aan het artikel in Brabantia, dat toen onder redactie stond van Gerard Knuvelder, werkte ook Prof. Dr. Willem Asselbergs mee oftewel Anton van Duinkerken. Als men het spel in de normale volgorde zet (proloog - spel - epiloog) en we tellen de regels op, dan krijgen we het volgende schema: 84- 1327- 48= opgeteld 1459. Maar omdat er in het spel vier regels eindigen met een woord waarop geen rijmwoord volgde, telde ik er vier regels bij en zo kreeg ik: 84- 1331- 48. De symmetrie viel op maar ook de optelling, namelijk 1463, dat wil zeggen het jaar dat de Broederschap van het Sacrament was opgericht en dat was nu eenmaal een organisatie die opdracht kon geven om een toneelstuk te schrijven. Ik concludeerde dat het spel best in 1463 geschreven kon zijn.
Asselbergs wees op de moeilijkheid in Middeleeuwse teksten om vast te stellen wat nu precies regels zijn, maar ik ging simpelweg uit van rijmwoorden (net als de tekstbezorgers) en ik hield de hypothese staande. Na 1970 raakten de artikelen in vergetelheid en ik had me eigenlijk al verenigd met de gedachte dat de vondst in de nevelen van de tijd verdwenen was, totdat ik de uitnodiging kreeg om over het spel nog eens wat te vertellen en ik op internet mijn stukken weer terugzag. Dus nu moet ik opnieuw nadenken.
In het spel zit naar mijn mening ontegenzeglijk een getallenspel dat naar een belangrijk jaar wijst (1463). Maar of dat belangrijke jaar ook per se het jaar moet zijn waarin het spel geschreven is, dat is een ander punt, want 1463 kan ook een eerbetoon aan de stichting van de broederschap zijn. Laat ik de mogelijkheid van 1463 eens in twijfel trekken.Wat dat betreft kan ik twee zaken aanvoeren, die ik vervolgens ook weer relativeer.
Als Smeken de auteur is, en inderdaad de Brusselse stadsdichter, en we weten dat hij in 1517 overleden is, dan kan hij bijvoorbeeld rond 1440 geboren zijn en zou het spel een jeugdwerk van deze schrijver kunnen zijn. Maar: leefde hij wel zo lang (77 jaar) en kan een jongeling zo'n werkstuk maken? Ik denk zelf dat dat laatste kan, want het spel heeft kenmerken van een talentrijke jonge auteur. We kennen echter Smeken's geboortejaar oftewel het geboortejaar van Janne de Baertmaecker (nog) niet, of misschien toch wel (zie verderop). Punt van aan dacht is wel dat onderzoekers (, zoals Hermans, Verwijs en ook Rogier) nog dachten aan een Bredase dichter Jan Smeken: ze kenden de Brusselse Smeken wel op enigerlei wijze maar ze wilden liever niet de link naar Breda leggen. Naar mijn mening ten onrechte: als we alleen al kijken naar de relatie Brussel- Breda in de periode van Jan en Engelbrecht II van Nassau (1442- 1504) dan is een connectie zeer aannemelijk. Er is een Brusselse Jan Smeken en het is - voorzover we nu weten- niet onmogelijk dat hij in 1463 een jeugdwerk vervaardigde.
Zwaarder geschut komt uit de hoek van mensen die zeggen dat in de proloog en epiloog van het spel duidelijk sprake is van een overleden Jan van Nassau (1410-1475) en van zijn weduwe Maria van Loon en Heinsberg. Maar in de Bredase codex zien we een opmerkelijk feit: eerst wordt namelijk het eigenlijke toneelspel afgeschreven, daarna de epiloog en daarna de proloog. Het is nogal logisch lijkt mij dat juist een proloog en een epiloog bijgesteld werden als een belangrijke actueel persoon die daarin genoemd wordt overleden is. Met tamelijke kleine tekstwijzigingen, die plaats moesten vinden, werd de toeschouwer op juiste wijze toegesproken. Dat verklaart misschien de rare volgorde in het handschrift. Een op het eerste gezicht sterk argument blijkt - op deze wijze bekeken- toch niet zoveel stelligheid in zich te houden. Wat ik hier handschrift noem is overigens een afschrift dat best (ruim) na 1500 gemaakt kan zijn. Nog een wat ander gezichtspunt verwoordt Leo Nierse in zijn boek over de geschiedenis van Breda: in 1475 kreeg Jan Smeken de opdracht een mirakelspel over de wonderhostie te schrijven. Hier lijkt de gedachte dat juist het overlijden van Jan van Nassau de aanleiding is geweest om het spel te laten maken. Of bij te stellen, zoals ik al zei.
Voorlopig kan ik concluderen dat een zekere Jan Smeken het gedicht gemaakt heeft ("Smeken fecit"), dat is hoogstwaarschijnlijk de Brusselaar, en 1463 is in dat geval -voor zover we nu weten- niet onmogelijk als productiejaar van het spel met de eerste edities van de proloog en epiloog. Maar een later tijdstip kan ook. In dat geval slaat 1463 terug op het stichtingsjaar van de broederschap. Het kernpunt in deze conclusie is dus het geboortejaar van Jan Smeken. Wie dat zeker weet of ontdekt moet het meteen zeggen. Tot besluit van dit gedeelte wijs ik er nog even op dat bijna 100 jaar geleden de letterkundige P. Leendertz jr. van mening was dat het spel in of kort na 1463 zou zijn geschreven. Leenderts zal daarbij zeker ook wel gelet hebben op het feit dat de kroniek van wonderen loopt van 1373 tot 1461. En dat in 1264 sacramentsdag voor het eerst in het bisdom Luik op de agenda werd gezet, met alle gevolgen vandien.
Moet ik nu per se een keuze maken dan kies ik op grond van wat we zeker weten voor de Brusselaar Jan Smeken en als 1463 bij hem onmogelijk is als productiejaar van het Spel dan geef ik deze hypothese op. Zie verderop.
De auteur
Zou er toch een zekere Jan Smeken uit Breda bestaan hebben die het spel geschreven heeft? Of is de vlak na de oorlog naar voren geschoven Bredanaar Jan Roever de auteur, die rond 1515 een belangrijk lid was van de Bredase rederijkerskamer Vreuchdendael? Niet geheel onmogelijk maar ik houd het -zoals ik al zei- op de Brusselse stadsdichter Jan Smeken die in 1517 stierf. Er is echter nog een andere kandidaat naar voren geschoven en dat is niemand minder dan de Brugse stadsdichter Anthonis de Roovere. De Bredase codex bevat ook enkele lijnen naar Brugge, zeker drie: een opmerkelijke beschrijving van een wonder dat in Brugge plaats vindt en dat samenhangt met Niervaert, een kopie van het beroemde gedicht "Lof vanden heylighen sacramente" van Anthonis de Roovere, en een apart gedicht dat het verhaal van Niervaert- Breda voortreffelijk weergeeft met het accrostischon Roovere, dus ook vrijwel zeker een tekst van Anthonis de Roovere. Ik heb niet de indruk dat je op grond van de stijlkenmerken van Smeken en van De Roovere kunt concluderen wie de schrijver van het Bredase mirakelspel is. Smeken heeft hier waarschijnlijk wel een punt, namelijk het optreden van twee duiveltjes Sondich Becoren en Belet van Deughden, die in een ander werk van hem ook hun kunsten vertonen ("De seven mijsteriën van de Seven Weeën") maar dat werk hebben we (nog) niet teruggevonden en we weten dat die duiveltjes optraden uit een brief van Jan van Coudernberghe aan keizer Karel V. Hij noemt ze Malorum Incitator en Bonorum Impeditor. De Roovere beheerste deze manier van doen ongetwijfeld ook wel, maar er schuilt zeker een klein aanwijzinkje in ten voordele van Smeken.
Jan Smeken (?- 1517)
We weten van Smeken dat hij in 1484 stadsdichter van Brussel werd en dat hij een belangrijke rol speelde in de rederijkerswereld en lid was van de Broederschap van O.L.-Vouw van zeven weeën. Kennelijk waren hij en zijn vader "baertmaecker", want zo luidde hun (bij-)naam ook, maar ik weet niet wat dat voor een beroep was. Misschien moeten we het aan de toneelwereld koppelen. Voor 1484 moet hij dus naam gemaakt hebben. Enkele bekende werken van hem zijn:
- 1500 Het spel op Hertog Karel
- 1510 Van ClarenYse en Snee, een gedicht waarover Herman Pleij zo'n voortreffelijke studie publiceerde in 1998
- 1516 Feesten ter ere van het Gulden Vlies: Keizer Karel, een Vlaamse "boer" die nabij Gent geboren was, in wiens rijk de zon nooit zou ondergaan, werd toen lid van deze ridderorde.
Uit Van Claren Yse citeer ik een strofe om u zijn stijl te laten proeven:
Moet al smelten, vergaen als asschen;
't En hulpt ghedanst, ghespeelt, ghemompt,
Wijsheyt, rijcheyt noch stercke hernasschen;
Alle ijs edne snee worden groote plasschen,
De doye bringhet al te quiste;
Hoe wij 't wringhen, wriven, wasschen,
De doot smelt ons met enen miste.
Hoe stercken ijs dat men noyt vant,
Het moet smelten ende water werden,
So worden wi asschen doer de doot met liste,
Hoe sterck, hoe stijf, dat wi hier terden.
Anthonis de Roovere (1430- 1482)
In Brugge werkte in vijftiende eeuw Anthonis de Roovere. Een zeer intrigerende man over wie ook veel meer geschreven is dan over Smeken. Van hem staat geschreven dat "hi hem met metsene ambachtelijke gheneerde". Ik meen dat dat een uitdrukking is van Jan Bortoen die een klaagzang maakte bij de dood van Anthonis. De Bredase codex bevat De Roovere's lofdicht op het sacrament, met daarin zijn accrostichon. Uit diverse akten uit het stadsarchief van Brugge blijkt dat hij ook allerlei werk in de toneelwereld op zich nam. Vooral intrigeert De Roovere door de diverse soorten dichtwerken:
- vroom en religieus werk, vooral ook geconcentreerd op de eucharistie en op Maria
- gelegenheidsgedichten (zoals 1466 Spelen voor de feesten van Lier en 1468 Blijde incomste van Vrouw Margriete van York)
- satirisch werk dat naar mijn mening tot de toppen van de Nederlandse letterkunde behoort, vooral een viertal rondelen
- amoureuze en erotische gedichtjes die zo amoureus zijn dat Jan Mak ze in zijn schitterende studie van het werk van De Roovere wel waardeerde maar niet wou toelichten.
Onderzoekers als Eelco Verwijs, Willem van Eeghem en Jan Mak, bepaald niet mensen met de minste expertise, geloven niet dat Smeken de auteur is van het Bredase sacramentsspel, dat toch -zoals ik al zei- twee maal met "Smeken fecit"getekend is.
Smeken heeft in het Spel van Nyeuwervaert twee rondelen opgenomen, eenvoudige maar sterke stukjes, maar de Roovere was er een grootmeester in. Ik citeer even de kernregels van de rondelen van Anthonis en voeg er nog iets aan toe:
Die moet duersteict sijn als een iacke
Die door de wereldt sal gheraken
Die moet connen huylen metten honden
Die gheen pluymen en can strijcken
Die en dooch ter wereldt niet
Sluymende zueghen eten wel haar draf
Al siet men de lieden men kentse niet.
Die laatste regel komen we ook tegen in Bredero's Spaanschen Brabander (1618) waarin hij ook de lof zong van de Vlaamse dichters:
De Roovere, Gistellen, en Kolijn
En Jan Baptisten Houwaert
Dat baloy goeye meesters zijn
De zaak van het auteurschap wordt helemaal ingewikkeld als we beseffen dat we alleen maar een kopie van het handschrift van het spel bezitten (misschien wel van rond 1540) en dat we het oorspronkelijke handschrift niet kennen, noch de bewerkingen daarvan. En dat we dus ook niet weten wie er een bepaalde rol heeft gespeeld bij de tekst die we nu hebben. Daar kunnen in de loop van de periode 1460 tot 1540 verschillende personen een rol in gespeeld hebben.
Zoals ik al aangaf , denk ik dat Jan Smeken uit Brussel de beste papieren heeft; de meer harde feiten wijzen naar hem. Maar er is wel een interessante mogelijkheid. Asselbergs en Huysmans houden daar de deur voor open: in 1465 laat een zekere Jan Smeken, geboren in 1438, uit Den Bosch zich in Keulen aan de universiteit inschrijven als student in de vrije kunsten. Zou deze Noordbrabander zich omstreek 1570 in Brussel gevestigd hebben? Misschien woonde hij wel en tijdje in Breda. Toch een Jan Smeken van Brussel, Den Bosch en Breda?
Het spel in het kader van de sacramentsdevotie
Op vele plaatsen waren er vanaf de dertiende eeuw sacramentswonderen. Er is wel eens geopperd: bedevaarten kwamen niet uit een wonder voort, maar het wonder was een schepping van een bedevaart. Ik noem enige plaatsen: Nyeuwervaert 1300, Binderen 1320, Amersfoort 1340, Stiphout 1342, Amsterdam 1345, Hasselt (Ov.) 1355 en Boxtel 1380.
De sacramentsverering is ontstaan in het bisdom Luik, maar de openbare uitdrukkingen kwam vooral in het bisdom Terwaan van de grond. In 1322 begonnen de stedelijke overheden voor het eerst , maar tegelijk grondig, aan de organisatie van een processie op sacramentsdag. Er werd bijvoorbeeld een bode gezonden naar de abt van Waasten (nu Warneton) om deze te verzoeken het Sacramentsfeest te Ieper bij te wonen.
De eucharistische vroomheid werd ook bevorderd door het stichten van broederschappen. Charles Caspers noemt bijvoorbeeld: Zutphen 1327, Zwolle 1368, Kampen 1393, Boxmeer voor 1400, Utrecht circa 1400, Hasselt (Ov.) 1408, Den Haag 1440, Delft 1477, Den Bosch 1480 en Venlo 1485. Breda dus 1463. Het wonder in Niervaart staat nogal vroeg in de historische reeks, maar de broederschap in Breda komt vrij laat. In Breda waren er drie broederschappen: de Broederschap van onze Lieve Vrouw, de Broederschap van het Heilig Kruis en de Broederschap van het Heilig Sacrament. Brussel en Den Bosch hadden ook Onze Lieve Vrouwebroederschappen.
In het boek Jheronymus Bosch. Opstellen over leven en werk door P. Gerlach o.f.m. Cap. wordt aan de orde gesteld dat Jeroen Bosch lid was van de Onze Lieve Vrouwe Genootschap en dat De tuin der lusten geschilderd is in opdracht van Engelbrecht II of Hendrik III van Nassau, in elk geval in opdracht van de Nassaus die heren van Breda waren en vaak in Brussel in hun paleis op de Coudenbergh woonden. Genoemde Bossche broederschap werd ook de Zwanenbroederschap genoemd en bij de maaltijden van deze vereniging werd en wordt traditiegetrouw zwanevlees gegeten. En hiermee kom ik weer op bekend terrein want veertig jaar geleden publiceerde ik mijn artikelen over Tspel vanden Sacramente van Nyeuwervaert dat ik dateerde in 1463 (het jaar dat de stad Den Bosch voor een groot deel afbrandde en Jeroen Bosch moet dat gezien hebben) en ik ervan uitging dat de Onze Lieve Vrouwe-broederschap van Den Bosch ouder was dan de broederschap van het H. Sacrament van Niervaert.
De Broederschap van onze Lieve Vrouw in Breda bezat een afschrift van de legende van het Onze Lieve Vrouwebeeld van Den Bosch, een legende die verwijzingen bevat naar de zogenaamde Zwarte Lieve Vrouw, de Zwarte Madonna.
De Bredase Broederschap van het Heilig Kruis bezat ook een oud handschrift, namelijk de Denensage die allerlei speculaties opriep over de rol van de Denen, Noormannen of Vikingen op de plaats van Breda.
Enkele thema's uit het spel
Niervaert is uiteraard een naam die tot de verbeelding spreekt. Het gebied van Niervaert komt uiteraard voortreffelijk aan de orde in de dissertatie van Karel Leenders. In het prettige boekje Rondom het Sacrament van Niervaart, een Breda's mirakelspel kritisch bekeken staat de volgende opmerking: "Het blijkt nu dat reeds omstreeks 1180 door de heer van Strijen aan de Vlaamse cisterciënzerabdij Ter Doest in deze omgeving gronden werden overgedragen om die te ontginnen. Het is waarschijnlijk dat de oude naam van één van de nederzettingen hier , Overdraghe, te danken is aan deze eigendomsoverdracht". De oudst bewaarde akte van de schepenen "van der Overdrecht ende van der Nieuwervaert"dateert van 1297. Deze gegevens gaan waarschijnlijk terug op het speurwerk van Albert Delahaye. Ik ga er even op in, omdat de verklaring van de naam "Overdrage/ Overdrecht" zeker niet klopt. Op allerlei plaatsen in de Lage Landen staan woorden als overdracht en overtoom voor het gegeven dat de lading van schepen en ook de schepen zelf naar een ander water overgeladen of getrokken moesten worden. Dat dit in Nyeuwervaert goed mogelijk was, zegt de naam zelf eigenlijk al.
De Nassaus: ze komen in 1404 met Engelbrecht van Nassau in Breda en de overgang van de verering van het Sacrament van Niervaert naar Breda wordt georganiseerd door zijn zoon Jan van Nassau, begraven in de Grote kerk in Breda. Engelbrecht II van Nassau en Hendrik III van Nassau hebben ongetwijfeld ook wel bemoeienis gehad met de bedevaart, de processie en het mirakelspel. De enige echt katholieke Nassau was Jan van Nassau Siegen die van 1630 tot 1637 heer van Breda was. U kunt in Diest zijn graf bewonderen, dus niet in Breda of Delft.
Maria van Loon en Heinsberg: bedoeld zijn de plaatsen Borgloon bij Tongeren en Heinsberg in Duitsland, een eind achter Sittard. Zeer interessant om in deze plaatsen te gaan om zien.
Maria was een zus van de beroemde bisschop Jan van Loon en Heinsberg van het bisdom Luik.
Macharius is de advocaat die de hostie vijf maal doorstak en die volgens de kroniek een ellendige dood stierf. Via hem wordt afgegeven op noodlottige geleerdheid die spontaan geloven tegenhoudt. Zij rol illustreert eigenlijk heel goed de gereserveerde rol van de Kerk in dit soort mirakelzaken. De magister gaat terug op een historische figuur, namelijk Macarius van Mierloo die als advocaat namens het bisdom Luik werkte, vooral in het Noorden van het bisdom Luik.
Besluit
Middeleeuws Breda blijft intrigeren. Soms lijken aspecten op sterven na dood en dan gebeurt er toch weer iets. Uw broederschap is daar een sprekend voorbeeld van, en als die er niet was geweest, had ik hier vandaag niets verteld. Dus in dubbele zin: dank voor uw aandacht.
Literatuur
- W. Asselbergs en A. Huysmans, Het spel vanden heilighen sacramentevander Nyeuwervaert, Zwolle 1955
- Ch. Caspers, De eucharistische vroomheid en het feest van sacramentsdag in de Nederlanden tijdens de late Middeleeuwen, Leuven 1992
- A. Delahaye, Heilige Berg, Overdrage, Niervaert en Klundert, in: De Heren XVII van Nassau Brabant, Zevenbergen 1979
- K. Leenders, Van Turnhoutervoorde tot Strienemonde, Zutphen 1996
- A.C. Maas, Enige hypothesen betreffende Tspel vanden heylighen sacramente vander Nyeuwervaert, levende Talen 1969
- A.C. Maas, Tspel vanden heiligen sacramente vander Nyeuwervaert, Brabantia 1964
- P. J. Margry, Amsterdam en het mirakel van het Heilig Sacrament, Amsterdam 1988
- L. Nierse, Breda, stad van borderlords en baronnen, Breda 2003
- H. Pleij, De sneeuwpoppen van 1511, Amsterdam 1998 (2)
- L. Rogier, Spel vanden Heiligen Sacramente van der Nyeuwervaert, Blaricum 1928
- L. Roose e.a., Anthonis de roovere Brugghelinck, Vlaemsch doctoor ende gheestisch poëte (1482- 1982)
- J. IJsseling e.a., Rondom het Sacrament van Niervaart, Breda 1994