logo

[Terug naar hoofdpagina] [Contactgegevens]

PEUTINGER IN OUDENBURG
Op weg naar de Romeinen

Ad Maas (Leende)

De Romeinen zijn weer in. Zowel historisch-archeologisch als cultureel-literair.  SEMafoor heeft vooral historisch-geografische belangstelling. Enige recente gebeurtenissen laten we hier de revue passeren. Zo komen we tenslotte terecht bij de vraag naar de verdere discussie over localiseringsvragen.

Actualiteiten

Bij uitgeverij Damon verschijnt een boek waarin De Romeinen. Uit de eerste hand aan het woord komen. De bello Gallico  van Caesar en Germania van Tacitus komen aan de orde.

Aan de autenticiteit van De bello Gallico wordt vrijwel niet getwijfeld maar met de constatering dat het in dit geschrift om politieke propagandateksten gaat wordt vaak ingestemd. Aan autenticiteit van Germania is er wel nogal wat twijfel geuit maar de inhoud ervan wordt vaak betrouwbaar geacht. Ik ken geen studie met een kritische behandeling van de voor de historie van de lage Landen relevante klassieke teksten als tekst. Dus een diplomatieke benadering van dit materiaal. 

Het Helse Vuur oftewel Elsevier van 24 juni 2004 bracht een prima journalistiek verslag van de archeologie van de Romeinse tijd in Nederland. “Langzaam wordt duidelijk dat Nederlanders en Romeinen een intense band hadden”, meldt de aanhef. Nederland was toch belangrijk voor de Romeinen, zegt Robert Stiphout, en dat is niet zo verwonderlijk voor wie het belang van rivieren voor handel en verdediging beseft. Het discussiepunt is echter al lange tijd of bepaalde plaatsnamen uit de Romeinse tijd van toepassing zijn op a, b, c en d enzovoorts. Ook de Nederlandse uitgever van de Peutingerkaart (P. Stuart,1993) geeft aan dat de interpretatie van deze kaart problematisch is en tal van vragen oproept. Wat betreft het Nederlandse gebied zegt hij : “De identificatie van namen op de tabula met hedendaagse steden is soms (vrijwel) zeker, in andere gevallen (min of meer waarschijnlijk). Die nuanceverschillen en de argumenten daarvoor kunnen in dit kader niet belicht worden”. Albert Delahaye, die in SEMafoor regelmatig ter sprake komt, ontkende ook niet de hem bekende archeologische opgravingen, maar wel de toekenning van plaatsnamen, en hij ging er ook van uit dat een groot deel van de Lage Landen na de tweede helft van de derde eeuw niet of moeilijk bewoonbaar waren geworden. Elsevier presenteert het volgende kaartje:

Het Noordbrabants Historisch Nieuwsblad van juli 2004 meldt dat in Lith volgens Nico Roymans, hoogleraar aan de VU te Amsterdam, de grootste Gallo-Romeinse tempel blijkt te hebben gestaan. Op de plaats waar al een Keltische cultusplaats lag. Er is een reconstructietekening gemaakt. Van de tempel van Empel is niet alleen een reconstructietekening maar ook reconstructiemodel gemaakt, en daarvan weten we dat bouwdeskundigen twijfelen of zo’n tempel er echt gestaan kan hebben, gezien de ondergrond, de zwaarte van het dak en de druk op de muren. Ook in Lith werd Hercules Magusanus vereerd en in het artikel wordt tevens geopperd dat het door Tacitus (in Historiën) vermelde Vada bij Kessel heeft gelegen. In 2004 werd in Nistelode allerlei bronzen materiaal uit de Romeinse tijd opgegraven. Het is nog wachten op een verantwoord rapport en op een tentoonstelling in Den Bosch (?). Daar is wel een en ander te zien van de tempel van Kessel. Het bijschrift Mogelijk onderdeel van ‘De tempel van Empel’ moest vervangen worden, zo meldt het NHN.

Maar u kunt alvast naar twee andere tentoonstellingen. Tot 9 janauri 2005 is er in het Fries museum in Leeuwarden de tentoonstelling Romeinen in Friesland. Van 12 v.Chr tot 40 n. Chr. waren de Romeinen fysiek aanwezig in het gebied van de huidige provincie Friesland, dus buiten de latere grenzen van het rijk. In Friesland, aldus de tentoonstelling, woonden toen Germaanse barbaren waartoe ook de Friezen aan het begin van de jaartelling worden gerekend. Heden ten dage is een beschaafde tocht naar Friesland zeer goed mogelijk. Tijdelijke Romeinse aanwezigheid in Noord-Nederland en Noord-Duitsland stemt uiteraard overeen met de mogelijke localisering van de Varusslag nabij Osnabrück, namelijk bij Kalkriese waar een grote permanente tentoonsteling is ingericht. De opgravingen zijn daar in 1989 begonnen nadat in 1987 een Brits officier Tony Clunn er allerlei munten en wapentuig had gevonden. (Op 12 augustus j.l. meldde Bild dat de historicus Wolfgang Mommsen (73), die zich ook graag bezig hield met de localisering van deze slag,  bij het zwemmen in de Oostzee vermoedelijk aan een hartaanval overleden was.) Toen de Romeinen zich terugtrokken op de Limes bleven er uiteraard contacten met de Friezen of beter gezegd: met mensen die woonden op de plaats van het huidige Friesland. Allerlei meestal losse vondsten zijn daaruit te verklaren. De in SEMafoor 5.2. aangeduide hypothese dat de Hondsrug een belangrijk  gebied was voor de Romeinen is niet uit de lucht gegrepen, maar de methoden van onderzoek in deze kwestie zijn niet duidelijk en kunnen de toets van een redelijke kritiek waarschijnlijk (nog) niet doorstaan.

En u kunt ook nog naar Oudenburg waar nog tot 3 oktober een tentoonsteling te zien is over Alle wegen leiden naar…Romeinse wegen in Vlaanderen. Daar ligt het boek van Theo Aerts over Feresne in twee versies te koop aangeboden en er is een zeer interessante boek te koop dat door Jean Luc Meulemeester voorbeeldig is samensgesteld. De tentoonstelling biedt geen nieuwe gezichtspunten. 

Interessant zijn de oude uitgaven van de Peutingerkaart (vooral van Welser) en de technische aspecten van de Romeinse wegenbouw. De tentoonstelling biedt niet een goed overzicht van de problematiek van de wegen in Vlaanderen in de Romeinse tijd, laat staan een wat kritische kijk. De bijdragen van Hugo van Thoen en Sofie Vanhoutte  en van Marc Rogge  aan het boekwerk zijn slechts beperkt terug te zien op de tentoonstelling. Ik neem de inhoudsopgave hier even over:

Onderzoekers/auteurs Thema
Frank Vermeulen Het Romeinse wegensysteem
Wouter Dhaeze Het wegennet en het Romeinse leger
Georges Raepsaet Rijtuigen en gespannen uit onze streken in de Romeinse tijd
Fik Meijer Op reis in het Romeinse rijk
Jan de Graeve en Jean Mosselmans De Romeinse landmeters en het Romeinse wegennet
Robert Nouwen Over de wegen van de keizer. Mijlpalen en de imperiale communicatiepolitiek in de Gallische en Germaanse provincies
Hans Teitler De postdienst in het Romeinse rijk
Jean Luc Meulemeester Langs Romeinse wegen met de Peutingerkaart
Marc Rogge Het wegennet van de Romeinen in Gallië en Germanië
Hugo Thoen en Sofie Vanhoutte De Romeinse wegen in het Vlaamse kustgebied
Dries Tys Middeleeuwse wegen en transport: een beknopt overzicht van de problematiek, en een overzicht van de ontwikkeling van het wegennetwerk na de Romeinse periode
Marc Dubois Romeinse en hedendaagse bouwkunst

 

Thoen en Vanhoutte bespreken de drie grote wegen die met Oudenburg in verband staan; de Steenstraat, de Zeeweg en de Zandstraat. Voor mensen die niet uitgestudeerd raken op de Peutingerkaart zijn enkele samenvattende beschouwingen van Luc Meulenmeester een zogenaamde ‘must’. Op het einde van het stuk schrijft hij: “De Tabula Peutingeriana is, net als een aantal andere bewaarde Romeinse kaarten, daarvan een typisch voorbeeld”. Welke kaarten zou hij bedoelen? (De uitdrukking ‘typisch voorbeeld’ slaat op het gebruik ervan door militairen en handelaren.)

Drie opvattingen

De exposties bevstigen uiteraard conventionele opvattingen van een aantal Romeinse locaties. Juist de laatse decennia zijn er tal van archeologische opgravingen (bijvoorbeeld in het Nederlandse rivierengbied) die in de publiciteit ook deze werking vertonen. Ten aanzien van de historisch-geografische aspecten van de Romeinse tijd in de lage landen zijn er binnen de discussies in SEMafoor (en het AD-bulletin) een drietal posities te onderscheiden:

Semi-traditionele opvattingen

Joep Rozemeyer vindt het aannemelijk dat de vroeg-Romeinse limes langs de Lek en Leidse Rijn liep. Per slot zijn daar resten van diverse castella gevonden. Maar dat deze Rijn-limes gelijkgesteld moet worden met de noordelijke Patavia-route is volgens hem nergens aannemelijk gemaakt.  Uitgaande van de opgegeven afstanden, heeft hij de route als volgt gereconstrueerd: van Nijmegen over Druten (Castra Herculis), Empel (Carvone), Oirschot (Levefano),  Alphen, Hoogstraten of Merxplas (Fletione), Antwerpen (Traiectum),  Temse (Lauri),  Waasmunster(Nigropullo), Lokeren (Albanianis), Lochristi (Matilone), St. Amandsberg (Pretrium Agrippine)  naar Gent (Lugduno). In deze optie kloppen alle afstanden, liggen alle halteplaatsen aan een waterloop, zijn nagenoeg alle plaatsen archeologisch onderbouwd, en wordt een strategisch belangrijk eindpunt Lugdunum voorgesteld.  De zuidelijke Patavia-routre ziet er bij Rozemeyer als volgt uit: Nijmegen, St. Oedenrode (Ad Duodecimum), Hoogeloon (Grinnibus), Grobbendonk (Caspingio), Rumst (Tablis), Hofstade aan de Dender (Flenio), Oudenaarde (Foro Adrinani) en Gent (Lugduno). Ook hier rechtijnige tracees, afstanden die kloppen, halteplaatsen aan het water, en een eindstation (Lugduno= Gent) dat aannemelijk is. Tevens wordt een verklaring gegeven voor de aanwezigheid van één beginpunt naar één eindpunt.

Jans Kreijns publiceerde een boek waarin hij aantoonde dat Traiectum  voor de tiende eeuw niet Utrecht geweest is maar Maastricht. Deze opvatting impliceert dat de traditionele interpretatie van de noordelijke Pataviaroute herzien moet worden. In die herziening speelt een belangrijke rol de vertaling van een opmerking in het Itinerarium van Antoninus: A Lugduno, caput Germanium, Argentorato. De gebruikelijke vertaling luidt “Van Lugdunum, kop van Germanië, naar Straatsburg” , maar het is duidelijk dat “caput” dan incorrect latijn is. Er had immers “capite” moeten staan.  De opmerking van Antoninus kan echter zo vertaald worden dat zijn Latijn wel correct is, namelijk zo: “Van Lugdunum, via de kop van Germanië, naar Straatsburg”. In de visie van Kreijns zijn Pretorium Agrippine en Colonia Agrippina dezelfde plaats, namelijk Keulen. Op deze wijze komt hij tot de conclusie dat niet Lugdunum (Leiden, Katwijk, Brittenburg?) maar Noviomagus (Nijmegen) de kop van Germanië is en dat de Noordelijke  weg naar ten oosten van de Maas naar het Zuiden liep, en wel in grote lijnen als volgt: Nijmegen, Venlo (Levefano), Wessem (Fletione), Aken (Albinianis) naar Keulen (Agrippina). Zo komen Traiectum (Maastricht), Albinianus (Aken) en Colonia/Pretorium Agrippina (Keulen) met elkaar in een nieuw logisch verband.  Kreijns negeert het kustaspect van Lugduno ( maar het is niet duidelijk of dat werkelijk een criterium is) en de te grote afstand tussen Maastricht (Traiectum) en Limbourg/Luik (Lugduno) lost hij op via een omweg over Aken (Albanianis).

Willem Bruijnesteijn onderschrijft Kreijns’ reconstructie van de “noordelijke” (= oostelijke) Pataviaroute, en ontwierp naar aanleiding daarvan de “zuidelijke” (= westelijke0 route. Hij deed dit door deze route niet te berekenen in Gallische mijlen of leuga (2250 tot 2500 meter) maar met gewone Romeinse mijlen (van 1500 meter), waardoor de plaatsnaam Ad Duodecimum logisch geplaatst kan worden. De reconstructie van Bruijnesteijn gaat van Nijmegen (Noviomagus) via Ad Duodecimum  (13) naar Grinnes (Oss), verder via Halder en Esch  (Caspingium) naar Hoogeloon/ Hapert (Tablis), en vervolgens via Flenum naar Forum Adriani naar Ludgunum ( in de provincie Antwerpen bij de transgressiegrens, dus nabij de zee) en van daaruit via Albanianis naar Traiectum (Maasticht). In feite reconstrueert Bruijnesteijn een transgressiekustlijn die hij ten dele invult met nu bekende plaatsen met een Romeins verleden. Het is duidelijk dat het onderzoek naar de Pataviaroutes nog nader onderzoek vergt.

Alternatieve opvattingen

Deze opvattingen vatten we in een overzicht samen.

Bronnaam Traditie Delahaye Kirk Van Veen
Lugduno Katwijk/Leiden Leulinghen Marck Leulinghen
Pretorium Agr. Valkenburg NH Elinghen Fermes des Cappes Réty
Matilone Roomburg Le Mat Ardres Le Mat
Albamis Alphen aan den Rijn Alembon Hocquinghem Alembon
Nigropullo Zwammerdam Noirs-Terres Alquines La Wattine
Lauri Woerden Lumbres Lumbres St. Martin-au-Laërt
Fletione Vechten Fléchin Fléchin Flêtre
Levefano Wijk bij Duurstede Laventie Liévin Liévin
Carvone Kesteren Carvin Carvin Carvin
Castra Herculis Meinerswijk Arleux Marchienne Croisiles
Noviomagi Nijmegen Noyon Noyon Neuville-Bourjonval
Arenatio Rindern Antoing   Hargicourt
Burginatio Schenkenschanz Bourghelles   Brancout-le-Grand
Colonia Traiana Xanten Tressin   Caudry
Veteribus Birten Visterie   Valenciennes
Asciburgio Asberg Haulchin   Asquilles
Novesio Neuss Feignies   Marchienne-au –Pont
Agripina Keulen Avesnes-sur-Helpe   Namen
Itius Portus   Le Portel Wissant  
Flenio Vlaardingen Elnes Fiennes  
Foro Adriani Voorburg Hardinhen Arm van de Aa  
Grinnibus Rossum Grincourt-lès-Pas Bos bij Grigny  
Ad duodecimum Dodewaard/ Empel Douchy-lès-Ayette Weg rond Amiens  
Tablis   Étaples Montreuil  
Caspingio   Campigneulle Cavron-St. Martin  

 

Perspectief

Hoe meer archeologisch onderzoek in verband met de Romeinse tijd verricht en gepubliceerd wordt destemeer worden de semi-traditionele en alternatieve opvatting uitgedaagd om hun standpunten steeds opnieuw te evalueren. SEMafoor biedt hiervoor het SEM-forum.

 



Valid HTML 4.01!