[Terug naar hoofdpagina] [Contactgegevens]
DE KRUISWEG VAN POSTEL
A.C. Maas (Leende)
De abdij van Postel oefent een bijzondere aantrekkingskracht uit. Wat trekt allemaal aan? Gaat het om het indrukwekkende complex van gebouwen, om de verschillende bouwstijlen, de ligging op de grens, de natuur ter plaatse en in de omgeving, de boerderij-achtige delen van het geheel, de vaak drukke toeristische entourage ( met kaas en brood en ook frites, fricandellen en trappist), het park rond de abdij of de winkels? Zijn het juist de combinaties van het een en het ander? Is de merkwaardige mix van geest en materie zo bijzonder? Wat opvalt is dat de oude Romaanse kerk met grote regelmaat bezocht wordt, meestal korte bezoeken. Mensen lijken daar even het stilst stil te staan. In die kerk hangt er een kruisweg van klein formaat, maar van bijzondere kwaliteit. De afbeeldingen passen precies in dit oude kerkgebouw, en toch zijn ze nadrukkelijk aanwezig: ze worden gezien, mensen wandelen de staties langs, en ze raken de afbeeldingen ook aan. Dat laatste kan natuurlijk eigenlijk niet, maar je ziet het gebeuren. Over deze kruisweg gaat dit artikel, maar we halen eerst even de historie van de abdij naar voren.
Postel in de Middeleeuwen
De abdij van Corbie kreeg rond 900 van koning Zwentibold van Lotharingen veel grond in eigendom in de regio Mol-Dessel-Balen-Postel, en een deel van dit bezit ging naderhand naar de abdij van Floreffe. Deze stichtte in 1138 een priorij in Postel en de inwijding ervan in 1140 ging met heel wat plechtigheden en schenkingen gepaard. De plaats was goed gekozen want Postel lag aan en nabij wegen van Turnhout en Breda naar Keulen en Maastricht en Luik. In 1173 hadden de Postelse Norbertijnen al boerderijen, zoals een hoeve op Ten Vorsel. Uitbreidingen van het bezit van de priorij volgden in vlot tempo. In de dertiende eeuw draaiden er in Bladel al twee Postelse watermolens, namelijk de Vorselse en de Wolfswinkelse. In 1369 bezat het klooster vrijwel alle grond die het ooit in bezit zou hebben. In Bladel en Netersel richtte de priorij in die tijd een achttal pachthoeven in die ze tot 1648 kon exploiteren. Deze hoeven waren: de Vorselse hoeve of Ten Vorsel, de Wolfswinkelse hoeve, de Toornkenshoeve, de hoeve Ten Nygen, Nigrim of Isegrim (de Franse hoef), Ter Hofstadt, de hoeve Hoyberich, de hoeve Ter Coyen en de Kapelhoeve in Netersel. Gemiddeld genomen had zo'n hoeve ongeveer 100 hectare grond in exploitatie. De veertiende en vijftiende eeuw waren in de Kempen doorgaans een tijd van duurzame welvaart: de zogenaamde Vlaams-Brabantse Gouden Eeuw. Veel woeste gronden werden ontgonnen, nieuwe hoeven werden gesticht en er werden stenen kerken gebouwd die vaak meer dan 500 jaar gebruikt konden worden. De basis voor deze welvaart was onder meer te danken aan een politiek waarin de belangen van de hertogen van Brabant, van de regionale en lokale heren en van kerkelijke instellingen (kapittels en kloosters) goed op elkaar afgestemd werden. Belangrijk was dat het platteland een betrouwbare leverancier was van stoffen die de snel groeiende steden nodig hadden: graan en vooral ook goede en goedkope wol. Veel Bladelse schepenakten zijn te vinden in het archief van de abdij van Postel. Uit de akten blijkt dat pachters van de Postelse kloosterhoeven opvallend vaak in het college van schout en schepenen zitting hadden; ook hier was het klooster dus goed vertegenwoordigd.
Postel na 1648
In 1621 was Postel een zelfstandige abdij geworden die al vóór 1648 onder meer 57 hoeven en 13 molens bezat. Na de Vrede van Munster slaagde de abdij er wel in om zelf buiten de macht van de Republiek te blijven maar het lukte niet om haar bezittingen op het grondgebied van de Republiek en in de regio Bladel te behouden. Het gemeentebestuur van Bladel moest vanaf 1618 uitmaken welke burgers zo noodlijdend waren dat ze voor steun van de abdij in aanmerking kwamen. Er waren toen drie klassen armen: de armste mensen waren de armen die om brood smeekten, iets minder arm waren de armen die geholpen werden door de Tafels van de Heilige Geest, en vervolgens waren er de huisarmen die twee keer per jaar mochten deelnemen aan de aalmoesuitreikingen ("spyndingen") in Postel. In de gouden eeuw kwamen daarvoor op bepaalde momenten tussen de 4000 tot 5000 huisarmen uit de Kempen in aanmerking. Dagelijks deelde Postel toen aan 700 tot 800 personen voedsel uit, eerst bij het klooster en sinds 1640 in de dorpen zelf, zoals in Bladel. Toen namelijk enige inwoners van Bladel ("de heffe van het Hellenend") zich bij en in het klooster ernstig misdragen hadden, was dat een van de redenen om de aalmoezen in de dorpen zelf te gaan uitdelen. In 1797 moesten de monniken de abdij ontruimen op bevel van de Franse revolutionairen, en tot 1847 was de abdij in handen van rijke particulieren. Toen keerden de Norbertijnen terug naar Postel en vanaf die tijd was de abdij weer in functie en groeide ze uit tot een belangrijk geestelijk- cultureel contactcentrum en een centrum met veel economische bedrijvigheid.
Broeder Max
In de Romaanse kerk van de abdij is een opmerkelijke kruisweg aangebracht. De kunstenaar die deze kruisweg maakte, is de Vlaming Victor van Meerbeeck oftewel Broeder Max die leefde van 1903 - 1973. Op veertienjarige werd hij opgenomen in de congregatie van de broeders van Liefde. Wie de catalogi en overzichten van zijn werk bestudeert, valt van de enige verbazing in de andere. Max was niet alleen tekenaar en schilder, maar ook houtsnijder. In zijn schilderkunst valt de grote variatie in technieken en stijlen op: hij kon eigenlijk alles, en dat op hoog niveau. Ook opmerkelijk is hoe hij van eeuwenoude thema's weer een heel nieuw perspectief naar voren brengt. In het indrukwekkende boek Broeder Max van 1970 staat nog een talent van deze man beschreven: Broeder Max als cineast. Hij bracht een film Helpende Handen tot stand die volgens het ritme van de seizoenen zorg in het onderwijs (lente), hulp aan blinden, doofstommen en gehandicapten (zomer), omgang met geestesgestoorden (herfst) en ondersteuning van ouden van dagen ( winter) in beeld bracht. De vier jaargetijden, gericht op solidariteit tussen mensen. Max componeerde het scenario, schreef de teksten, en voerde de regie; voor de muziek had hij het Philharmonisch orkest van Antwerpen nodig. Ernest Claes schreef over deze film dat hij geen andere woorden kon vinden dan "een groots werk". Nog een ander talent: historicus. In 1960 publiceerde Broeder Max het boekwerk Tessenderloo vroeger en nu, een bekroond werk. In Tessenderlo vond in 1942 de ontploffing van de kruitfabriek plaats. Deze ramp maakte van het klooster in Tessenderlo een puinhoop en toen Max in 1949 overgeplaatst werd naar Tessenderlo moest hij het een tijd zonder atelier stellen. Het verbluffende technische meesterschap wordt beter begrijpelijk als we levensloop van Maximinus overzien. Hij werd opgeleid in het leraarschap, namelijk op de gebieden: tekenen, handenarbeid, kunstgeschiedenis, Nederlands en Frans. Hij werkte als kloosterling-leraar in Zwijnaarde, Tessenderlo en Gent. Tussen 1941 en 1969 werden er (onder meer in Gent, Hasselt, Antwerpen, maar ook in Hilvarenbeek, namelijk in 1952) 22 tentoonstellingen over het werk van Max georganiseerd en nam hij deel aan een twintigtal groepstentoonstellingen ( ook in Nijmegen , Maastricht en Den Bosch). Personen die in het werk van Maximinis uitgebeeld werden zijn onder meer de theoloog Pieter van de Meer de Walcheren, de priester Daens ( opnieuw bekend van een tamelijk recente TV-serie) en de cabaretier Jos Ghijssen. Maximinis, dus geen Maximalis, zijn naam alleen al is een waarschuwing in de hectische actualiteit anno 2003, dwingt tot nadenken en meevoelen. Een intensief thema in het werk van Max is bijvoorbeeld de figuur van Judas: de mens die wel meedoet maar toch verraad pleegt. Ook de figuur van Simon van Cyrene is intrigerend in beeld gebracht. En zo is er veel meer. Het meest volledige werk over Broeder Maximinus, eigenlijk een gevolg van een grote tentoonstelling in Gent, is een herdenkingsboek van 1994 dat tot stand gebracht is door Broeder Marcel Antheunis (87) die nu in Zelzate woont. Het bevat een vrijwel volledig overzicht van het werk van Max: de schilderijen, de linosneden, de houtskool- en pentekeningen en de andere technieken.
Kruiswegen van Maximinis
Maximinis heeft 11 kruiswegen geschilderd. Steeds op bestelling uiteraard, maar niet volgens hetzelfde patroon, steeds is er verandering van opzet en stijl, maar wel zijn er allerlei verwantschappen. In de verste verte geen seriewerk. Nadat zijn eerste kruisweg voltooid was, was er meteen al de opdracht voor een kruisweg in muurschilderingen in Hasselt, en zo ging dat maar door. De vorige kruisweg was nog niet af of de volgende opdracht lag er al weer. Opvallend is dat Max bij elke kruisweg ernaar streefde om vorm en materiaal aan te passen aan de plaats waar de kruisweg voor bestemd was. Situatiegerichte en geïntegreerde kunst dus. Broeder Marcel schrijft in zijn boek over Maximinus: " Een kruisweg schilderen is de kruisweg gaan, want telkens vergt dat een vernieuwde instelling op het gebeuren, terwijl toch maar enkele staties de schilder echt aanspreken. De andere zijn verstandswerk". Een zeer rake typering van het werk van Broeder Max.
OVERZICHT KRUISWEGEN BROEDER MAX
| Naam en oorspronkelijke locatie; interieur | Huidige Locatie | Jaar |
|---|---|---|
| 1. Boom | Klooster Meerseldreef | 1949 |
| 2. Tessenderloo | Tessenderloo | 1950-1951 |
| 3. Sint-Maria-Aalter | Sint-Maria-Aalter | 1952 |
| 4. Hasselt | Hasselt | 1953-1955 |
| 5. Tongeren St. | Ludgardis-Basiliek | 1956 |
| 6. Leopoldsburg | Rome | 1957 |
| 7. St-Truiden | Sinds 1970 te Gent, sinds 1996 in museum Guislaine | 1957 |
| 8. Turnhout | Zelzate: rusthuis Broeders van Liefde | 1958 |
| 9. Zelzate | Parochiekerk van Zelzate (Laurentius) | 1961 |
| 10. Postel | Abdij | 1962 |
| 11. Merksem | Klooster Br. van Liefde | 1965 |
De kruisweg van Postel
De staties zijn olieverfschilderingen op panelen van 50 bij 40 centimeter. Voorstudies voor deze kruisweg zijn kleine tekeningen, ongeveer ter grootte van een briefkaart. Het plaatsen van kruiswegstaties in deze oude Romaanse kerk is ongetwijfeld een kwestie van wikken en wegen geweest. De schilderingen (met een vergulde achtergrond) passen buitengewoon goed bij het donkere interieur van de kerk en er is goed nagedacht over de plaatsen waar de staties bevestigd zijn. In tegenstelling met sommige andere kruiswegen van Max zijn er op de staties weinig personen uitgebeeld. Het gaat hier ook duidelijk niet om de individuele expressie die van deze personen uitgaat, maar veel meer om de compositie van de kleine groep. Een ingetogen, eenvoudige en heldere kruisweg, passend in een Romaanse kerk. Op de veertiende statie is de signatuur van " b. Max 1962" bijna niet meer te lezen. Er gaat het verhaal dat een theoloog het niet eens was met het figuurtje dat de verrijzende Christus voorstelt op deze statie. Wat te kinderlijk uitgebeeld, vond hij, en vooral dit: de verrijzenis vond pas drie dagen na de dood van Jezus plaats. Maar daar staat tegenover dat op Middeleeuwse houtsneden de ziel als een kind wordt voorgesteld als ze het lichaam van de gestorvene verlaat. Iets wat Max uiteraard wist. Typerend voor hem is misschien wel dat hij in zijn laatste kruisweg (Merksem 1965) van de verrijzenis een aparte statie maakte.