logo

[Terug naar hoofdpagina] [Contactgegevens]

Een protesterende docent
DE KWESTIE VAN HET COMMANDERIJ COLLEGE
Terugblik na ťťn jaar

In dit artikel vatten we eerst beknopt samen wat er feitelijk in een half jaar gebeurde in en om het Commanderij College en daarna gaan we het doen en laten na van achtereenvolgens college van bestuur - medezeggenschapsraad en raad van toezicht, leraren – leerlingen en hun ouders, de krant en de andere media. Zo komen we uit bij de vraag naar de (vermeende) schade die het Commanderij College toegebracht zou kunnen zin of mogelijkerwijs zichzelf toebracht. Laten we echter beginnen met het verhelderen van de positie van de twee meest betrokken personen.

De voorzitter van het college van bestuur: Martien van Diesen is voorzitter van het college van bestuur van het Commanderij College in Gemert Laarbeek. Hij is tevens eerstegraads docent, maar in die rol niet meer actief. In die rol ligt wel zijn achtergrond binnen het onderwijs. Toelichting: een voorzitter van het college van bestuur van een onderwijsinstelling is niet meer zoals in het verleden een rector of directeur. Een voorzitter van het college van bestuur is bestuurder. Wat is het verschil ? Een rector of directeur is in strikte zin niet eindverantwoordelijk. Hij is een gemandateerde functionaris van een bestuur. De voorzitter van het schoolbestuur is de eindverantwoordelijke. Een voorzitter van het college van bestuur is daarentegen wel eindverantwoordelijk en daarmee aanspreekbaar op alle facetten van de onderwijsorganisatie. Een raad van toezicht ziet toe op het ordelijk besturen door de voorzitter.
De protesterende docent: Henk Giebels is vakdocent geschiedenis. Hij is gepromoveerd en daarmee eerstegraads bevoegd. Dit is de hoogste onderwijsgraad binnen ons bestel en geeft hem de bevoegdheid om binnen elke onderwijsvorm (van vmbo tot universiteit) als docent actief te zijn.
Vanaf dit moment noemen we hun namen niet meer, juist omdat we het exempelkarakter willen benadrukken. We spreken nu over personen die functionaris zijn.

1. Wat er gebeurde er
De voorzitter van het college van bestuur (dat uit twee personen bestaat) publiceert in de regionale krant een commentaar op een rapport van een landelijke adviesgroep. Deze groep wordt ‘rechtse denktank’ genoemd. In dat commentaar worden positieve en negatieve oordelen uitgesproken over leraren in het algemeen. Omdat de voorzitter ook bestuurder/werkgever is, voelen leraren van ‘zijn’ scholen zich aangesproken, in positieve en in negatieve zin. Een van de docenten (vwo) was en is zo betrokken dat hij in dezelfde krant een kritisch artikel publiceert over het commentaar van zijn ‘baas’ en over de baas zelf. Gedurende enkele maanden ontrolt zich daarna een film die tegelijk veel weg heeft van een soap en van een drama.

Het college van bestuur (CVB) en de raad van toezicht (RVT) komen bijeen. De voorzitter van het CVB zal uit de wind worden gehouden, beslissen de bestuurders en toezichthouders, en de betreffende docent wordt geschorst. Hij krijgt een spreekverbod. Hij heeft de school in diskrediet gebracht, dus schade berokkend, en personen in hun integriteit geschaad, maar deze beschuldiging blijkt ook na een half jaar niet hard gemaakt te zijn (zie paragraaf 3.5). Op de dag van schorsing is het CVB nergens te vinden. De voorzitter van de medezeggenschapsraad (MR) heeft geen commentaar. Leerlingen vinden de publicerende docent iemand met een groot ego maar wel een vakman. Ze willen hem meteen terug. Er gaat een brief naar de ouders met de belofte op de zaak terug te komen. Beter Onderwijs Nederland (BON) bemoeit zich met de kwestie. Een rector van een ander college steunt de uit de wind te houden voorzitter en een docent van een gymnasium steunt de publicerende docent. In het Eindhovens Dagblad en op de website van deze krant komt een stroom van ingezonden stukken op gang. Dit schrijvende deel van de bevolking kiest nogal duidelijk voor de docent, dat wil eigenlijk zeggen, tegen een bepaald schoolbeleid en onderwijsbeleid. Een onderwijskundige geeft de docent een publiek compliment. Een manager van het Pleincollege Eckart vindt dat de hele discussie slecht is voor de school (nestbevuiling dus). Een jurist meent dat de docent de zaak eerst met zijn baas had moeten bespreken. De scholieren houden een handtekeningenactie en de ouderraad komt met het voorstel een mediator te benoemen. De RVT houdt zich ‘gedeisd’ maar steunt kennelijk het CVB wel. Iemand poneert dat niet de docent, maar de voorzitter van het CVB moet opstappen. De docent mag na vier weken weer aan het werk, en daar zijn collega’s, scholieren en ouders mee ingenomen.

Het nieuws raakt landelijk bekend: het college kan de publiciteit niet meer beÔnvloeden en enigszins regisseren. Marleen Barth van het CNV doet een stevige duit in het discussiezakje.
J. Dresscher van de Algemene Onderwijsbond stelt zich ook kritisch op naar het bestuurlijk gedrag van het Commanderijcollege en probeert tevergeefs te bemiddelen wat betreft schorsing en vooral spreekverbod. Er worden kamervragen gesteld, maar CDA, PvdA en VVD doen niet mee. Directeuren van basisscholen opperen dat de aanhoudende publiciteit de naam van het Gemertse college geen goed doet. De verhouding van het CVB met de krant is niet best, zeker niet als het E.D. niets doet met een vernieuwingsactiviteit van de school (vmbo+). Dan schrijven collega’s van de docent een brief: de verhouding tussen CVB en docent moet genormaliseerd worden. Het CVB laat de docent weten dat de ‘partijen’ hun uiterste best doen de kwestie op te lossen en definieert de kwestie als een ‘arbeidsconflict’. Econoom professor Arnold Heertje, die zijn mening over onderwijskwaliteit al beschreef in Echte economie (2007), meent dat er geen sprake is van een arbeidsconflict en schat in dat er discutabele financiŽle keuzes zijn gemaakt. Uitgesproken negatief naar het CBV en de RVT reageren in de landelijke pers bij voorbeeld Marc Chavannes en Leo Prick. De verhoudingen op het Commanderij College worden feodaal genoemd. Na al dit verbale geweld treedt er rond de jaarwisseling 2007-2008 een zekere luwte op, maar geen vrede, laat staan de geboorte van nieuw inzicht en kracht. Op 17 maart 2008, als de docent ongeveer een half jaar een spreekverbod geniet, komt staatssecretaris Van Bijsterveldt op bezoek. De leraren worden op het college weer de eigenaar van het onderwijs, volgens de krant. Tijd voor reflectie.

2. College van bestuur, medezeggenschapsraad en raad van toezicht

College van bestuur
Het CVB neemt het initiatief om buiten de school in het openbaar een discussie te starten over de kwaliteit van het onderwijs (naar aanleiding van het Rapport Rinnooij Kan) en spreekt daarbij een waardering uit over groepen leraren. Dat binnen de groep van leraren hier altijd een gevoelige snaar wordt geraakt – in positieve of negatieve zin- is voorspelbaar. Kennelijk wordt erop gerekend dat het publieke woord van het CVB niet in het openbaar weersproken zal worden. Dit blijkt een vergissing. Een docent reageert wel. De actie van de docent wordt daarna weloverwogen afgestraft. Eerst wordt een kopie van diens artikel door het CVB in de school verspreid en daarna volgt een brief over schorsing en spreekverbod. Op de dag des oordeels is het CVB afwezig of niet bereikbaar. Contact met de krant wordt afgehouden, al wordt wel meegedeeld dat er in het artikel van de docent onwaarheden staan, maar dat wordt niet toegelicht. Deze eerste stappen hebben grote gevolgen. Andere eerste stappen waren mogelijk geweest.

De ouders worden per brief ingelicht, een brief met een defensieve inhoud en toonzetting, op ongelukkige wijze verspreid omdat het wervingsgebied van het Commanderij College niet samenvalt met het verspreidingsgebied van de krant. Een aantal ouders weet nog van niets. Maar de klok is geluid en de ouders raken steeds meer op hoogte van de affaire die mogelijkerwijs al meteen onnodig is. Er zijn uiteraard reacties, maar reacties in de zin van ‘in zo’n wantoestand gaat mijn dochter of zoon van school af’ zijn er blijkbaar helemaal niet. Bepaalde ouders maken zich zorgen over de gevolgen voor het examen van zoon of dochter. Dat laten ze ook de krant weten, maar de school zal ongetwijfeld ook dergelijke berichten hebben gehad. Niet bekend is hoe de school daar dan op reageert, terwijl het om een interessant thema gaat. Veel dochters en zoons maken overigens zelf wel uit of ze in een ‘wantoestand’ aan het leren zijn, en als ze dat niet zelf mogen uitmaken, zitten ouders thuis nogal eens met gebakken peren. Het gewone schoolleven gaat een tikje spannender gewoon verder. Een deel van die dochters en zoons reageert naar buiten zeer adeqaat, namelijk: zorg dat we goed onderwijs krijgen, want ik wil mijn diploma halen. De andere zoons en dochters maakt het niet veel uit: gewoon een belachelijke toestand zoals er in jonge levens wel meer zijn.

Het CVB (en RVT en MR?) is vervolgens kennelijk met ‘partijen’ aan het overleggen over het probleem waar het College mee zit en waar de docent mee opgezadeld is, daarbij van binnenuit geconfronteerd met acties van leerlingen, berichten van ouders en een stellingname van docenten. Ouders rekenen we tot de schoolorganisatie in brede zin. En de (nogal boze) buitenwereld zit ook niet stil: het Eindhovens Dagblad laat de zaak niet dood bloeden, ook landelijke media bemoeien er zich tegenaan, de vakbond neemt stelling evenals Beter Onderwijs Nederland (die ook mee is gaan tellen in het overlegcircuit over het Nederlandse onderwijsbeleid), en niet te vergeten: de Tweede Kamer. Geen benijdenswaardige situatie voor de school: allerlei ellende tuimelt over elkaar heen. Wat de bestuurlijke verantwoordelijken van het Commanderij College werkelijk doen is een black box voor de nieuwsgierige buitenstaander. Goede vraag: wat zijn in de situatie van een (regionale) school buitenstaanders? Duidelijk overheerst de opvatting dat ‘de maatschappij’ daar niets mee te maken heeft. De school doet mededelingen als de school denkt dat er mededelingen te doen zijn, is een typerende uitspraak. Het naar binnengericht en op zichzelf betrokken denken valt hier op, maar ook het misleidende taalgebruik: de school denkt iets, wordt gezegd, en daarmee is wel duidelijk dat erg weinig mensen de school zijn, naar schatting een stuk of tien.

Medezeggenschapsraad en raad van toezicht?
Een MR heeft ook de mogelijkheden om toe te zien en te reageren, je kunt ze minstens bnenutten, maar naar buiten laat ze alleen maar zwijgzaamheid blijken, geheel conform de lijn van het CVB. Of en in hoeverre de MR intern actief is geweest kan hier niet beoordeeld worden. Dat hoort thuis in de black box. Van de raad van toezicht kan hetzelfde gezegd worden, maar bij deze groep moet aan verantwoordelijkheid in verband met toezicht zwaarder getild worden. Zou de RVT op eigen initiatief actief geworden zijn? Heeft het CVB de raad misschien geraadpleegd? Wat is toezicht eigenlijk (in het echt)? Wel kan uit het verloop van de gebeurtenissen geconcludeerd worden dat het CVB niet gecorrigeerd is in een bepaalde aanpak van de kwestie. Veronderstellen we wel een bepaalde invloed (black box), dan moet men uitgaan van de hypothese dat het CVB nog harder had willen optreden en dat MR en/of RVT dat hebben weten te temperen. Dat is nogal boud, maar het is niet onmogelijk.
Is de MR onmachtig gebleken en is de RVT weggelopen voor haar taak? De RVT had toch minstens kunnen waarschuwen voor de wijze waarop de docent – ook publiekelijk- beschuldigd zou worden. Had goed en moedig toezicht daar tot een andere gedragslijn kunnen leiden? De docent zal wel een advocaat aan het werk gezet hebben. Een onnodige kostenpost? En verlangt de docent een zeker eerherstel, daarbij gesteund door getuigenverklaringen van externe personen die er niet om hoeven te liegen? Het volgehouden zwijgen van de bestuurders wordt op basis van deze of een soortgelijke hypothese verklaarbaar.

Een MR wordt democratisch gekozen en kan juist daardoor – dus door verdeeldheid tussen groepen die vertegenwoordigd worden – krachteloos worden en wegvluchten van heikele kwesties. De MR moet wel een vertegenwoordiging tellen van docenten die op de lijn zitten van de publicerende docent. De raad lijkt zich te verschuilen achter het CVB op een moment dat dit college zelf in het geding is. De RVT wordt via coŲptatie gekozen uit ‘het’ netwerk. Dan is er daar veel kans dat het denken vanuit de opvattingen van de publicerende docent totaal afwezig is. De benadering is dan: een docent is een werknemer en die heeft te aanvaarden wat er verkondigd wordt aan beleid door ‘het bestuur’. Als een werknemer dat niet doet, dan is meteen al de reputatie van de onderneming geschaad en dient een zware sanctie uitgedeeld te worden. Zo zou de cultuur kunnen zijn en daar lijkt het erg veel op. Het gebrek aan ‘stem’ van de RVT roept de algemene vraag op naar de deugdelijkheid van goed besturen in het onderwijs. Is besturen dan toch teveel een onder-ons-gebeuren en is toezicht voor een groot gedeelte schijn? Deugt het CVB – RVT- bestuursmodel voor het algemeen vormend onderwijs (leerplicht) wel?

De affaire op het Commanderij College doet de vraag rijzen of er in ons land stevig nagedacht moet worden over de vraag wat goed bestuur van een onderwijsinstelling is en in dit geval een instelling voor voortgezet onderwijs. Vooral het dicteren van het gedrag in onderwijsleersituaties moet daarbij grondig bekeken worden, en daar hangt – zoals Heertje terecht zegt – een financieel verhaal aan vast. Wat voor soort burgers besturen het onderwijs, houden er toezicht op en regelen de verantwoording? In zekere zin schrijft Gemert, dat al een roemrijk onderwijsverleden heeft, geschiedenis. Een lokaal exempel laat een nationaal vraagstuk zien. De kroniek maakt duidelijk dat nieuwe opvattingen over besturen – colleges van bestuur met raden van toezicht- ook kunnen leiden tot vreemde pat-stellingen en veel twijfelachtige besteding van energie.

Stel nu eens dat het CVB en de RVT gewoon niets hadden gedaan na de publicatie van het artikel van de docent, eventueel met de belofte er binnen schoolverband tijd aan te besteden (al was het maar door op het interne digitale netwerk een discussieformum te openen). Alles zou anders verlopen zijn, met veel waardering voor een school die zich zo opstelt. Zou macht mensen kortzichtig kunnen maken voor dit soort zinvol pragmatisme?

Er is wel eens de opvatting dat het onderwijs van mindere kwaliteit is als in een school beroering ontstaat. Zo gauw is het onderwijs echter niet van slag. Hier treffen we een van de voordelen aan van een zekere autonomie van docent en groep. Ook kwetsbare leerlingen zijn daar in de gebruikelijke en vaak vertrouwde omgeving. Misschien is het zelfs wel zo dat een bepaalde spanning in de school de kwaliteit van het onderwijs helemaal niet negatief beÔnvloedt, maar met deze opmerking is meteen ook een opvatting over onderwijs en vorming in het geding. Een inzender wijst er trouwens op : van een koningsdrama (?) op een school valt veel te leren. Zo gezien, zou er van de kwestie een eigen lespakket gemaakt kunnen worden. Op en top een lerende organisatie.

3. Leraren, leerlingen, ouders

Leraren
De leraren tonen zich klaarblijkelijk geschokt, waarschijnlijk in allerlei variaties, net als de leden van het CVB en de RVT. Jammer dat deze situaties niet verfilmd zijn, want anders hadden we een uniek document gehad dat bepaalde organisatie-dynamiek in beeld brengt. Wat is echt, dubbel, aanstellerij? Veel dynamiek maar klaarblijkelijk ook veel schrik. De laatste decennia is in de scholen in ons land de angst om commentaar te geven, niet alleen publiekelijk maar net zo goed intern, sterk toegenomen. Je vraagt je van alles af, wordt dan een geliefde communicatiestijl, terwijl in de lijst van competenties open communicatie waarschijnlijk erg gewaardeerd wordt. Een soort ondergeschikte openheid wordt meestal ook wel op prijs gesteld; daar wordt management immers wijzer van. De visie dat docenten binnen de school met hun commentaar moeten komen, zoals sommige inzenders van brieven stellen, is idealiter juist, maar in de praktijk nogal eens niet realistisch. Visies die op een gegeven moment niet (meer) zouden passen in een bepaald (gedragen?) beleid kunnen gemakkelijk in de hoek van spelbrekerij terecht komen. De kunst om met diverse opvattingen over onderwijs en leren constructief om te gaan is niet iedere school gegeven. Toch is het zo dat op scholen vaak onnodig in (vermeende en te zwaar aangezette) tegenstellingen gedacht wordt. Vaak ligt de kiem van polarisatie al in wit-zwart-schema’s waar adviesorganisaties zo graag mee werken. Schijneensgezindheid is dan het resultaat met een verbod op protest. Goed onderwijsbeleid toont een zeker eclecticisme en waardeert verschillen in stijlen. Sterk aansturen op eenheid van onderwijsideologie en dus van handelen in de praktijk levert zelden overtuigende resultaten op, zeker niet als dat gepaard gaat met diskwalificaties. In feite gaat het dan om schoolpolitiek en niet om pedagogische en onderwijskundige inzichten, laat staan om inzichten van allerlei vakdisciplines.
Toch gebeurt er bij een groep Commanderij-leraren iets van genereuze klasse. Er is al veel steun van collega’s uit het land. Die zeggen: laat niet toe dat vmbo-leraren en havo-vwo-leraren tegen elkaar uitgepeeld raken, zo’n verdeling dient om te heersen, kijk naar het onderwijsmodel van ‘de’ managers met hun onbekende achterbannen en onderken dat de kwaliteit van het onderwijs vooral ook daalt vanwege gebrek aan vakkennis en vakkunde van de leraren. De mening van een voormalig docente van het Commanderij-college is voor een aantal docenten van groot gewicht: Onderwijs wordt geÔnfantiliseerd. Voor een aantal leerlingen en docenten is dat inderdaad waar. Ook speelt een rol dat een rector van een ander college in de krant een heel andere aanpak van het onderwijsinhoudelijke conflict verkondigt. Een constructieve aanpak was mogelijk geweest. Een aantal vwo-docenten – van buitenaf gezien een stille partij aan het front tot dan toe- schrijft een brief aan het CVB met daarin de wens dat het maar eens afgelopen zou moeten zijn met de deprimerende gang van zaken op, in en om school. De leraren vinden dat de zaak wat publiciteit betreft volledig uit de hand gelopen is. Publiciteit kan onrust en rottigheid in stand houden. Ze willen dat er een eind komt aan deze kwestie, maar niet door een collega te offeren. Een maand na de schorsing blijkt deze geschorste collega blij te zijn dat hij weer welkom is op de Commanderij. Het spreekverbod blijft in takt. Voor de docenten herstelt zich dan op praktisch niveau gezien het normale schoolleven. Wat de kwestie op een dieper niveau met hen doet (spreekverboden en schorsingen), weten we niet. Strikt onderwijskundig gezien kan er best een grote groep leraren zijn die instemt met het commentaar van de (protesterende) docent op de visie van het CVB. Dat kan nog als ‘zakelijk’ geparkeerd worden, al is dat in het onderwijs, waar beroep en persoon zo verweven zijn, ook al moeilijk. Maar het hebben en uiten van een andere visie moet toch nog meer dan voorheen een kwestie van gemengde gevoelens zijn. Hoe werkt dat door?

Leerlingen en ouders
De leerlingen hebben minder last van een impliciet spreekverbod. Een zekere hektiek in de school wordt door hen doorgaans niet al te hevig betreurd. Geen les krijgen heeft ook bepaalde voordelen, maar de examenkandidaten vinden een schorsing van een examenjaar-docent wel een probleem. Ze benaderen met e-mails de krant en organiseren een handtekeningenactie. Wat daarmee gebeurt is weer blackbox. We kunnen aannemen dat het verantwoordelijksheidsgevoel, het inzicht in het vak en de creativiteit van deze verontruste scholieren sterk genoeg waren om een maand zonder geschiedenisles te overbruggen. Geldt dat voor allen?
De ouders hebben zich waarschijnlijk erg veel afgevraagd. Maar van een soort collectieve paniek onder de ouders is absoluut geen sprake. De ouderraad ziet een mediator nog wel zitten, en waarom zou dat geen goed idee zijn? Het is echter pas een goed idee als partijen vanuit een gelijkwaardige houding de kwestie willen bespreken. De kansen om zo’n verhouding bij een bepaalde soort conflicten te laten zien, laat het CVB aan zich voorbij gaan: geen sprake van. In principe is een houding van toenadering in dit geval zeker mogelijk, want er was strafrechterlijk niets aan de hand: de voorzitter van het CVB was er niet met de kas van door en de docent in kwestie zeker niet. Het ging om een verschil in onderwijsvisie, dat eigenlijk gemakkelijk te overbruggen is voor ontspannen en creatief denkende partners.

Onderwijs en klant
Enkele stellingen:
* leerlingen in het V.O. zijn geen klanten van de school: onderwijs is natuurlijk beter als leerlingen actieve participanten zijn
* ouders zijn geen klanten van de school: ouders zijn verantwoordelijk voor de opvoeding van hun kinderen, medeverantwoordelijk voor goed onderwijs, en partners van de betreffende leraren en andere uitvoerders van het primaire proces
* gezinnen zijn geen klant van de school, maar zijn wel betrokken bij de gang van zaken op school als een gezinslid op de betreffende school zit en zeker als het om een “probleemleerling” of “risicoleerling” gaat
* personeel is geen klant van een school, en ze zijn ook niet elkaars klanten, maar collega’s (dit begrip moet opnieuw uitgelegd worden)
* bestuursleden zijn geen klant van een school, maar de eindverantwoordelijke autoriteit (bevoegd gezag) van de organisatie
* het voortgezet onderwijs is geen klant van het basisonderwijs, maar beide zijn gelijkwaardige organisaties die afgestemd moeten opereren.
Ten aanzien van deze personen en instanties kan het onderwijs wel aspecten van klantgerichtheid nastreven en verbeteren. Sterker nog: dat zou zelfs wenselijk zijn. De maatschappij is in zekere zin wel de klant van het onderwijs, als het een demokratische maatschappij is, waarin dus het onderwijs zo goed mogelijk economische, sociale, culturele en persoonlijke belangen dient.


4. De krant en andere media
De krant doet geweldig zijn best. Met grote vasthoudendheid wordt nieuws vergaard en op duidelijke wijze wereldkundig gemaakt. Had de krant het stuk van de docent moeten weigeren? Of had de krant tegen het CVB moeten zeggen: mijnheer, doet u hier wel verstandig aan, u spreekt ook uw personeel toe, doe dat binnen schoolverband. Vanuit de school, dus van leerlingen – ouders – leraren, wordt wel contact gezocht met de krant. Het afhouden van publiciteit is vanwege de grote kring van betrokkenen onmogelijk en daardoor niet zinvol. Altijd zijn er immers mensen die - oprecht of niet- zonder risico contact opnemen met een medium, in dit geval de krant. Het ‘slachtoffer’ zal in de verdediging moeten gaan en dat is meteen al achterstand en verlies. Merkwaardig dat de bestuurders dit niet beseft hebben. Min of meer los van de kwestie wordt wel gepoogd om de relatie met de krant te harmoniŽren en per advertentie profileert de school zich in dezelfde krant.
De omgang van de bestuurders met de krant in de conflictsituatie waar het hier om gaat, kan als volgt getypeerd worden: de boot afhouden (vanuit een houding: wij bepalen zelf wat nieuws is), voortdurend angst voor negatieve publiciteit, wegvluchten voor confrontaties over wat er gaande is, doorzichtige werkwijzen om een krant op andere wijze over het college te laten schrijven. Om deze feiten kan niemand heen. Wel kan gezegd worden dat contact met media altijd een zeker onvoorspelbare uitkomst inhoudt. Er is immers een groot verschil, en dat verschil behoort er ook te zijn in een democratie, tussen voorlichters van organisaties en de min of meer onafhankelijke pers. Deze pers moet inderdaad ook commercieel verantwoord opereren, maar dat hoeft niet in tegenspraak te zijn met het dragen van een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Het najagen en publiceren van onwelgevallig nieuws hoort zeker ook tot het waar maken van die verantwoordelijkheid.
De krant nodigt twee bestuurder/managers uit om hun mening te geven over de controverse op het Commanderij College. Een rector van een scholengemeenschap in Valkenswaard kiest linea recta partij voor zijn collega in Gemert: deze loyaliteit overmeestert een verstandige stellingname. Een andere rector komt met de idee, zoals hiervoor al vermeld, dat de Gemertse zaak totaal anders aangepakt had kunnen worden. Dat is voor de bestuurders van het Commanderij College wellicht de meest harde kritiek op het optreden van het CVB. Een gymnasium-docent uit Deurne onderschrijft het recht en de noodzaak van de publicerende docent om met zijn commentaar publiekelijk voor de dag te komen.
Het commentaar in landelijke media was niet mis. Vooral de NRC geeft zeldzaam hardhandig commentaar en ook de Algemene Onderwijsbond en natuurlijk de kring van Beter Onderwijs Nederland kiezen vrijwel zonder nuancering partij voor de geschorste en gemuilkorfde docent. En het CVB komt zwaar gehavend uit deze commentaren. Daar zit ook iets in van: dat kan alleen maar in het ergens toch achtergebleven Brabant. Vergeleken met deze commentaren stelt de regionale krant zich wel ijverig maar uiterst correct en genuanceerd op.
Het CVB hecht zonder enige twijfel grote waarde aan goede relaties met de pers. Maar een goede relatie is niet alleen van belang bij het maken van verkapte reclame (waar de krant aan meewerkt als er sprake is van nieuws), maar ook in situaties dat er slecht nieuws is. Juist dan blijkt of een organisatie met media overweg kan. De geheel mislukte omgang met de media komt terecht op het bord van het andere lid van het CVB. De voorzitter moet immers uit de wind gehouden worden (maar waarom?) en zijn collega-bestuurder wordt formeel opgezadeld met een reeks dilemma’s. Tegen de achtergrond van het gedrag van CVB en RVT leidt dat tot een houding naar de media waar een relatief zware prijs voor betaald wordt in de zin van negatieve publiciteit.
Dat ook negatieve publiciteit kansen biedt, kon niet gedacht worden. Het Commanderij College werkte zelf mee aan een negatief beeld wat betreft zijn capaciteiten om te roeien met de media-riemen die je hebt.

5. Schade in het onderwijs
De motivering van schorsing en spreekverbod werd ontleend aan de stelling dat de docent het belang van de school geschaad had en de integriteit van personen aangetast. Niet de integriteit van ‘personen’ werd echter aangetast, maar wel hun visie. Er zijn andere opvattingen, ook op het Commanderij College. Van deze visie werd door de docent verondersteld dat de kwaliteit van het onderwijs er absoluut niet mee gediend zou zijn. Voor aantasting van integriteit moet er toch wel meer gebeuren dan wat door de docent in zijn artikel werd gesteld.
Deze stellingname van de schade kon echter alleen nog maar een hypothese zijn, omdat na ťťn weekend geen enkele concrete schade op te merken viel. De school was niet afgebrand en er was nog niet ťťn leerling vertrokken. Wel kan men veronderstellen dat de naam of reputatie van de school beschadigd geacht kan worden. Dat kun je zo zien als je ervan uitgaat (een norm) dat een organisatie als eenheid naar buiten dient te treden. Maar in deze situatie ligt dat argument moeilijk omdat een lid van het CVB juist zelf openbaar heeft gemaakt dat er binnen het onderwijs (lees ook: het Commanderij College) verschil in visie en mentaliteit is. Bovendien kan een onderwijsinstelling als het Commanderij College zich prima permitteren dat verschillen in onderwijsvisie de kwaliteit van het onderwijs juist niet hoeven te schaden, alleen al lettende op de verschillen tussen de groepen leerlingen (schoolpopulatie). Door deze evidente aspecten wordt de indruk versterkt dat alleen het feit van het tegen-woord (tegenspreken) de reden was voor strafmaatregel.

Wat de schade-vraag betreft komt er nog een merkwaardig punt bij: echt aantoonbaar risico kan het schorsen van een goede docent voor de prestaties van een aantal leerlingen hebben. Een straf dat de docent op school twee maal zo hard had moeten werken dan normaal is vanuit dit gezichtspunt logischer. De strafmaatregel is dan dubbel effectief. Uiteraard is zo’n aanpak onmogelijk, maar hij laat wel zien dat schorsen niet zo gemakkelijk te verdedigen is. Er rest wel de mogelijkheid dat schorsen de kans verkleint op onrust in de school. Ondanks het feit dat de publieke schrijverij vooral ook op rekening gezet moet worden van het CVB (formeel niet, maar feitelijk wel) en ondanks het feit dat het inhoudelijke conflict al aanwezig was op het college (en op tal van andere scholen voor V.O.) is er hier vanuit het perspectief van management wel een punt van overweging. Een uit de hand lopende hektiek en paniek kan de school werkelijk schaden. Hier pleit echter tegen in dat het CVB geen enkele onrust vermoedde bij het plaatsen van het commentaar van de voorzitter. Het rekende toch op een gezeglijke groep uitvoerders.

Als er van schade sprake moet zijn, dan is dat reputatieschade zoals bestuurders en toezichthouders die ervaren, namelijk: naar buiten moeten verschillen in denken verhuld worden. Bestuur en management lopen dan een deuk op, niet de school. Voor een bepaald soort bedrijven is tweedracht naar buiten inderdaad funest. Maar juist bij publieke instellingen is dat op inhoudelijke punten vaak niet het geval. Eenheid van visie en handelen is niet per se nodig, sterker nog: ze kan ook schadelijke effecten hebben. Ook de omgeving van de school mag gerust op de hoogte zijn van diversiteit in onderwijsvisie en –onderwijsgedrag. Wat is daar negatief aan als er onderling respect is? Pas dan zou er een schadepost kunnen zijn als hard gemaakt wordt dat bepaalde visies en handelwijzen leiden tot lagere resultaten dan op goede gronden voorspeld kunnen worden. Schade werd wel opgelopen in de wijze waarop bestuurd werd in een situatie dat trefzeker besturen onmiddellijk nodig bleek.

6. Het kwaliteitsprobleem anno 2008 scherp gesteld
Men kan de discussie over goed voortgezet onderwijs vangen in een tegenstelling: onderwijs als opleiding en onderwijs als vorming. Niet met de bedoeling om erin te blijven steken. Het gaat om perspectieven die verenigd moeten worden, in dit geval een strijd tussen economische en culturele maatstaven. Gelukkig toont de huidige onderwijspraktijk op dit vlak (nog?) een gemengd en gevarieerd beeld, maar het toekomstscenario lijkt (leek?) duidelijk: onderwijs moet opleiden voor economisch maatschappelijke taken en verplichtingen en op dat doel moeten ook de investeringen gebaseerd worden. Vanzelfsprekend zal het beleid niet in dit jargon geformuleerd worden: een meer verhullend taalgebruik is nu eenmaal nodig om tot bepaalde politieke en maatschappelijke aanvaarding ervan te komen. Het onderwijs-als-opleiding-scenario leidt automatisch tot een vergaande standaardisering in de uitvoering van het onderwijs, niet alleen vanuit het oogpunt van kostenbeheersing maar ook vanuit het streven naar zo meetbaar mogelijk toezicht op de kwaliteit van het onderwijs. Activiteiten van leraren die niet binnen de standaardisatie passen worden verdacht. Een goed voorbeeld is de leraar die zich niet houdt (door een bepaalde toevalligheid) aan het doel van de les, maar uitweidt over geheel andere zaken waarbij de leerlingen aan zijn lippen hangen. In plaats van het adagium ‘operatie geslaagd, patiŽnt overleden’ krijgen we hier ‘operatie mislukt, patiŽnt kerngezond’. De filosoof Graham Lock drukte deze kwestie als volgt uit: de kwaliteit daalt en daalt en de doelmatigheid stijgt en stijgt. Beter kan het op dit moment niet gezegd worden.
Al het andere buiten het referentiekader van onderwijs-als-opleiding wordt best mooi geacht (vorming) maar dat is wel voornamelijk een kwestie van burgerinitiatief en individuele keuze en inkoop.
Waarschijnlijk moeten we vaststellen dat de huidige politieke en economische machten geen onderwijs willen dat duidelijk gebaseerd wordt op een vormingsperspectief. Hierbij speelt ongetwijfeld een rol dat in tal van functies en beroepen bruikbare technologie beschikbaar is die met zich meebrengt dat mensen steeds minder hoeven te weten en te begrijpen. Op dit moment is er al een generatie monteurs die wel een mankement aan een auto kan repareren maar niet weet hoe een auto functioneert en de werking van een motor niet kan vertellen. Zo gaat het met tal van functies. De beleidmakers die primair denken in termen van het opleidingsperspectief willen ongetwijfeld een en ander van het vormingsperspectief meenemen om het denken in eenzijdig economisch rendement te verzachten. Het onderwijs moet er wel behoorlijk aangekleed uit blijven zien. Een sterkere nadruk op het vormingsperspectief houdt inderdaad het ‘risico’ in van burgers die bewuster leven, meer zaken doorzien en kunnen relativeren, niet zo gemakkelijk meelopen in voorziene tredmolens en een kritischer burgerschap laten zien. Mensen die zelf nadenken in andere contexten van het leven op onze planeet kunnen ook beter afzien van consumptiedwang en kunnen vooruit met een bepaalde spiritualiteit. Dat is niet erg in het belang van een bepaald sociaal-economisch stelsel. Vanuit deze invalshoek is dan ook het belachelijk maken van religieuze inspiratie en ‘alternatieve’ denkwijzen begrijpelijk. Ook de evolutietheorie moet per se waar zijn, omdat er anders toch gedachten op kunnen duiken aan een mogelijk andere gang van zaken in het universum.
Toch is er ook een groot dilemma. Ook een economisch systeem dat tot consumptie verplicht omdat de productie moet groeien, heeft behoefte aan een bepaalde mate van sociale samenhang. Volksbewegingen vol protest, conflicten tussen bevolkingsgroepen en revoluties, die mogelijk blijven ook in een regiem dat de totale burgercontrole (sluipenderwijs) heeft ingevoerd, worden niet op prijs gesteld. Terecht waarschijnlijk: beter onderdrukt dan vogelvrij. Maar sociale samenhang kun je niet alleen maar baseren op ideeŽn en over goed gedrag ( de waarden en normen van bepaalde politici). Via deze preken deugdzame burgers scheppen is wat al te makkelijk en goedkoop. Sociale samenhang vergt een bepaalde mate van gezamenlijke cultuur en dat hoeft niet het verhaal te zijn van de dominante cultuur die dwingt tot aanpassing. Gezamenlijk cultuur is ook het kunnen communiceren en omgaan met cultuurverschillen en dat vergt nu juist rijke inhoud. Het onderwijs is veruit de belangrijkste en betrouwbaarste organisatie om een onderwijsaanbod te realiseren dat tot onderlinge belangstelling en samenspraak leidt. Media zijn in dat opzicht ook belangrijk maar voornamelijk nieuwsvolgend en -selecterend. In een welgemeende democratie krijgt het onderwijs juist kans om te anticiperen, en dat op een merkwaardige wijze. Toekomst is gebaat bij degelijkheid van onderwijsinhoudelijke kwaliteit en in dat kader vergt de toekomst juist kennis en inzicht in het verleden. Het belang van onderwijsinhoudelijke kwaliteit is ook in het onderwijs de laatste decennia ernstig geschaad.
 

Vertrouwen van medewerkers
Dorien Pessers Vertrouwen van burgers is verkwanseld (NRC 240906) stelt twee morele systemen naast elkaar, dus systemen die de maatschappij op orde moeten houden. We citeren: Reciprociteit is de moraal van de duurzame verbindingen en de solidariteit – zoals in de sfeer van de liefde en sociale verwantschap- waarin over en weer onbepaalde verplichtingen worden nagekomen in het vertrouwen dat te zijner tijd verevend zal worden. Vertrouwen is hier het sleutelbegrip. Mutualiteit daarentegen is de moraal van de kortstondige bindingen van de markt, waarin tussen vreemden naar tijd en inhoud contractueel strikt bepaalde prestaties worden geleverd. Hier is wantrouwen het sleutelbegrip. Tegen het einde van haar artikel spreekt Dorien Pessers over de overgang van een systeem van rechtsstatelijk georganiseerd vertrouwen naar een systeem van economisch georganiseerd wantrouwen (met bijpassende toezichtautoriteiten). Wereldwijd ( ‘daar is niets aan te doen’, een onverbiddellijk noodlot) en dus ook in Europa en Nederland (‘want we kunnen niet achterblijven’). Het plegen van een wanprestatie kan in deze maatschappijbeschouwing economisch profijtelijker zijn dan het nakomen van een overeenkomst. Het buitenschoppen van grote aantal werknemers zal gezien worden als een topprestatie, vooral als het gaat om het kapitalistische belang van relatief weinigen. Logisch dat zulke buitenschoppers pervers gehonoreerd moeten worden. De economische orde zal steeds meer de rechtsorde ondergeschikt maken. Voor dit beleid en deze politiek is er in het Evangelie niet zoveel appŤl te vinden. 

7. Het Commanderij College positief
De voorzitter van het CVB (die dus zijn college en zichzelf vůůr zit), een functie die ook wel rector wordt genoemd, schreef een kritisch stuk in de krant over een rapport over de kwaliteit van het onderwijs. Wat was daar verkeerd aan? Het was in feite een moedige daad van iemand die inhoudelijk betrokken bleek. In het artikel deelde hij oordelen uit over groepen docenten. Dat mag ook. Zijn standpunten waren in de school bekend. Hij trad er alleen maar mee naar buiten. Toen wist ‘iedereen’ het. Wie kaatst moet de bal verwachten?

De publicerende docent verdient ook een compliment. Aan zijn actie is te danken dat de maatschappelijke omgeving op de hoogte raakte van een werkelijk bestaande situatie op een college. Het college hoeft zich voor het bestaan van uitgesproken en strijdige opvattingen niet te schamen. Ze bestaan gewoon, in de gehele westerse wereld en zeker ook in Nederland. Vaak is het adagium ‘eenheid in verscheidenheid’ minder treffend dan ‘verscheidenheid en toch een eenheid’. Een school kan zich deze filosofie permitteren, sterker nog: voor de idee ‘school’ is het zelfs een sterke troef.

De actie van de voorzitter van het CVB kan echter niet verenigd worden met een verbod op een reactie van iemand die zich aangesproken voelt en ook niet met de wens om interne meningsverschillen binnen boord te houden. Ook een vorm van klein denken is de optie dat informatie over inhoudelijke strijdpunten gezien moet worden als het naar buiten brengen van ‘vuile was’. Een naargeestig standpunt dat meer lonkt naar een bepaalde stijl van besturen dan naar algemeen belang wat betreft de kwaliteit van onderwijs.

Van collega-leraren, ouders en leerlingen vallen alleen maar positieve zaken te vermelden. Een probleem voor de leraren was dat niet alleen de publicerende collega een spreekverbod bleek te hebben. Ook zonder verbod bleek spreken een hachelijke zaak. In hoeverre ouders last hadden van de zwijgcultuur laat zich raden: waarschijnlijk zal een bepaalde groep ouders ook gevonden hebben dat het maar het beste was om de kat uit de boom te kijken. De leerlingen waren spontaner in hun meningen en zo hoort het ook.

De regionale krant deed het voortreffelijk. Er valt niets af te keuren, behalve als de norm gehanteerd wordt dat geen publiciteit over een conflict het beste voor een school is. Het maatschappelijk belang wordt dan vergeten. De nieuwsgaring was vol ambitie, de verslaggeving helder en goed leesbaar, goede initiatieven om de lezers breder naar het incident te laten kijken, evenwichtige keuze van ingezonden stukken waarbij een bepaalde trend in de voorkeur van de inzenders wel aan de dag kwam. Landelijke media kozen voor kortere berichtgeving en schuwden enkele felle commentaren niet.

Een school is geen bedrijf met strategieŽn, visies en praktijken die uniform de wereld in moeten gaan, omdat anders de klanten zouden afhaken. Geen enkele ouder en leerling eist en verwacht van leraren dat ze in didaktisch opzicht dezelfde opvatting huldigen. Op pedagogisch vlak (vooral bij wangedrag) zijn leraren vaak wel aangewezen op goede onderlinge afstemming. Tegenstrijdige informatie van een bedrijf dat auto’s maakt en verkoopt is zeker lastig vanuit het oogpunt van commercieel succes. Het bedrijf maakt veel kans financiŽle schade op te lopen, met als gevolg bijvoorbeeld ontslag van groepen werknemers. (Groepen werknemers worden trouwens ook aan de kant gezet bij groot commercieel succes.) Bij scholen is dat niet zo. Een school is een maatschappelijke onderneming die met publieke middelen gefinancierd wordt en er is nog nooit aangetoond dat bepaalde verschillen in onderwijsstijl, dus verschillende onderwijsopvattingen in een school, slecht zijn voor de resultaten van de leerlingen. Lettende op de kenmerken van bepaalde groepen leerlingen is een zeker verschil in aanpak goed te verdedigen, maar ook het feit dat een leerling diverse soorten onderwijsleersituaties mee maakt, is eerder een pluspunt dan een nadeel. Scholen kopen ook niet ‘materiaal’ (leerlingen) naar eigen voorkeur in, tenminste meestal niet. De leerlingen zijn er gewoon en ze komen naar het college, zelden op basis van het ‘onderwijskundige concept’ van de school. Verschillen tussen leraren hoeven ook geen enkele afbreuk te doen aan loyaliteit met de school en inzet voor de leerlingen. Bepaalde verschillen tussen leraren meer waarderen is waarschijnlijk effectief in verband met onderwijsresultaten.

8.  Vakinhoudelijke deskundigheid en inspiratie
Wat de vakinhoudelijke deskundigheid van leraren betreft ( de leerstofexpertise) kunnen we constateren dat veel leraren sterk afhankelijk van onderwijsleermiddelen zijn en dat juist dat gebrek aan overzicht en inzicht de mogelijkheden om ook goed leerlinggericht te werken inperkt en blokkeert. Afhankelijk zijn van leermiddelen is iets anders dan er goed gebruik van maken. Verder is tegen de achtergrond van een oneindig aanbod van informatie deskundigheid nodig in het systematisch bevragen van leerstof op betrouwbaarheid, geldigheid en bruikbaarheid. Op allerlei terreinen moeten leerlingen veel meer leren om thema’s te benaderen als hypothese, en dat vergt een goede inhoudelijke rol van leraren. Samenwerking tussen leraren en collectief leren biedt hier een helpende hand. Nieuwe oriŽntaties in verband met de kwaliteit van het onderwijsaanbod moeten natuurlijk ook doorwerken in opleidingen, nascholingsactiviteiten en andere vormen van ondersteuning van het onderwijs. In de scholen zelf zijn er ook maatregelen mogelijk om juist de kracht van de aanbodkant te versterken. Daarbij kan men denken aan het volgende:
- Scholen moeten het opleiden en scholen van leraren veel meer zelf in de hand gaan 
   nemen en houden en er minstens veel invloed op gaan uitoefenen
- Meer kansen voor ‘werkplek-leren’ in de scholen
- Nascholing zien in termen van het personeelsbeleid en kwaliteitsbeleid van scholen
   (persoonlijke professionaliseringsplannen) en
- Deskundigheid mobiliseren in het programma van de school vanuit de schoolomgeving
   (ouders, bedrijven, andere organisaties), een van de aspecten van de school als
   maatschappelijke onderneming
- Minder traditionele lerarenvergaderingen houden en in plaats daarvan veel meer
   inhoudelijk werkoverleg in groepen die direct met elkaar te maken hebben: groepen die
   zich bezighouden met leerstof en leren (vakinhoudelijke expertise) en groepen die
   geconcentreerd zijn op ontwikkeling van leerlingen en leren (pedagogische en
   psychologische expertise)
- Veel meer belangstelling en aandacht vragen voor kerndoelen en canons en de discussie
   daarover
- Veel aandacht voor de werkelijke meerwaarde van ICT-opdrachten
- Leerlijnen en groepsplannen opstellen met differentiatiemogelijkheden; dat zijn in
   eerste instantie leerstofplannen, met gebruikmaking van methodes en andere
   onderwijsleermiddelen
- In de taakstelling en taakverdeling van leraren plaats inruimen voor het op peil houden
   en ontwikkelen van de expertise op de onderwijsleergebieden die de wet voorschrijft


Valid HTML 4.01!