logo

[Terug naar hoofdpagina] [Contactgegevens]

HET OERA LINDA BOEK
Een spel bijna zonder einde 



Het Oera Linda boek heeft dankzij de dissertatie van Goffe Jensma anno 2004 weer veel publiciteit gehad. Dit proefschrift verdient positieve waardering. Niet omdat het nieuwe perspectieven opent, maar omdat helder en goed controleerbaar op een rij is gezet wat er van meet af aan (?) allemaal gebeurd is en gebeurd kan zijn. Het geestelijk testament van Johan Winkler dat in 1916 bekend werd, bevat in feite reeds het verhaal van de toedracht voorzover die aantoonbaar is. In dit artikel plaatsen we drie kanttekeningen die ten dele kritiek inhouden en ten dele voortborduringen zijn. Namelijk: de mystificatie, de auteur(s) en de gelovers.

De mystificatie
Het OLB is geen kopie van een oud handschrift, geen echte vervalsing (want er is niets nagemaakt) maar wel een mystificatie. Werner Fuld bespreekt het Oera Linda boek in zijn Das Lexicon der Fälschungen (1999) en meldt dat deze grap al spoedig herkend werd. Zelfs de Nazi’s hadden na korte tijd al in de gaten dat het OLB bepaald niet een groot Germaans verleden aantoonde, maar zagen het boek als een ‘ungermanische Fälschung’. Toen ik me enkele decennia geleden in de uitgave van Ottema van het Oera Linda boek verdiepte, wist ik na korte tijd dat we hier met een mystificatie te doen hadden. Dat is geen compliment aan mijzelf. “Alles aan het OLB is verdacht”, schreef G. Molewijk in 1993. Zowel het zogenaamd oude taalgebruik als de stijl en vooral een aantal woorden waarvoor een etymologie bedacht was, waren voor mij overtuigend genoeg. In 1874 had prof. dr. A. Vitringa al de historische ketterijen in het OLB uitvoerig naar voren gebracht. Een jaar of 15 geleden kreeg ik van de Stichting Albert Delahaye een getypte tekst van Albert Delahaye toegestuurd waarin het Oera Linda boek gebruikt werd om zijn visie op de geschiedenis van de Lage Landen in het eerste millennium achteraf te ondersteunen. Het kostte heel wat telefonische kruim om de toenmalige secretaris H. Jochems ervan te overtuigen dat uitgave van dit werk eerder ten nadele van Delahaye zou werken dan in zijn voordeel. Sindsdien bleef het manuscript hangen. Ik heb bij tijd en wijle steeds de volgende standpunten uitgedragen: het Oera Linda boek is een mystificatie maar een mystificatie kan toch een interessant document zijn en zelfs een historische bron. Wie echter probeert nieuwe visies op de geschiedenis van het eerste millennium te ontwikkelen en daarbij het Oera Linda boek gebruikt als authentieke (dertiende-eeuwse) bron zit er bij voorbaat naast. Binnen SEM werd enige jaren geleden min of meer overeengekomen om dat niet te doen in uitgaven die onder de paraplu van SEM verschijnen. Niet iedere betrokkene was gelukkig met deze ongeschreven code. Voor hen was het een soort zelfcensuur. Jensma trapt in zijn dissertatie nogal stevig in de richting van onder meer Albert Delahaye en Joël Vandemaele; ik zal daar in de derde paragraaf op terugkomen.
Het OLB in de vertalingen van Ottema (1876) en nu van Jensma (2005) kan men ook zien als een merkwaardig literair document. Als mystificatie van een (zogenaamd) zeer oud overgeleverd document is het OLB niet erg geslaagd: het bevat teveel makkelijk zichtbare verzinsels. Het is te doorzichtig. Maar de metafoor van een strijd tussen twee geloofsopvattingen is wel een creatie die in de literatuurgeschiedenis thuishoort. Jensma brengt die metafoor in zijn dissertatie prima naar voren, maar een originele ontdekking is het zeker niet, want deze lezing is al door allerlei auteurs genoemd en al vele jaren bekend. 

De auteur(s)
Recentelijk publiceerde Joep Rozemeyer in SEMafoor 4.1 (februari 2004) een artikel over het OLB waarin naar voren kwam dat de historicus Herrius Halbertsma een uitspraak doet over predikant, taalgeleerde en oudheidkundige Joost Hiddes Halbertsma. Van diens bibliotheek zou Eelco Verwijs gebruik hebben gemaakt bij de vervaardiging van het OLB. Herrius Halbertsma wijst dus Verwijs aan als auteur. Juist vanwege de opmerkelijke relatie tussen geschriften uit deze bibliotheek en aangestreepte passages in de boeken van Joost Hiddes Halbertsma wordt Verwijs aangezien voor de auteur. Wie met deze Joost Hiddes en zijn familie kennis wil maken, kan een brief van hem lezen aan zijn schoonzuster Baukje in de bundel Het hart op de tong in negentig brieven (1571-1957), uitgegeven door W.Gs.Hellinga. Volgens Jensma is Francois HaverSchmidt de auctor intellectualis, Cornelis over de Linden een zondagschrijver en degene die de tekst in het OLBees daadwerkelijk neerschreef, en Eelco Verwijs de deskundige die de mystificatiegrap initieerde en adviseerde bij het vervaardigen van de ‘codex’. 
Jensma schrijft: “Paaltjens was echter niet het enige resultaat van HaverSchmidts enorme drang tot mystificeren. Zijn schrijverschap kenmerkt zich in zijn geheel door allerlei technieken die indirectheid en verdubbeling teweegbrengen en die uitdrukken hoe hij de wereld en ook zichzelf –in wat zijn favoriete metafoor was- beschouwde als ‘schijn’, als historische contingentie, die doorverwees naar een wezenlijker , achter de werkelijkheid en achter de geschiedenis verborgen entiteit, naar wat hij ‘God”noemde”.
Een soort literair bewijs dus. In de bespreking van het proefschrift in de NRC onder de titel Magnifiek misverstand staat het volgende: “Het bewijs tegen HaverSchmidt is het zwakst hoor, geeft Jensma onmiddellijk toe”. Jensma bedoelt uiteraard dat het bewijs vóór het auteurschap van Haverschmidt zwak is. Deze eerlijkheid valt te waarderen. De discussie hierover zal niet verstommen, want de Haverschmidt-oplossing is niet afdoende. De titel van het OLB geeft geen directe aanwijzing omtrent de schrijver, want die is bedacht door Ottema. Aanvankelijk werd het boek aangeduid als ‘het boek van Adela’ of ‘het oude Friese handschrift’. Cornelis over de Linden moet als mogelijke co-auteur niet onderschat worden. Er zijn ongetwijfeld teksten in het OLB die van zijn hand zijn en aan zijn geest ontsproten. Als Over de Linden uit het OLB passages citeert, is dat altijd uit het eerste deel: Het boek van de helpers van Adela. Dat Haverschmidt toch wel als de werkelijke auteur beschouwd zou kunnen worden, is daarmee niet in tegenspraak. Jensma zegt dat het boek vanaf ongeveer 1860 ontstaan moet zijn maar dat het handschrift pas rond 1867 opdook en hij vraagt wat er in de tussentijd gebeurd is? De stelling dat het OLB vanaf ongeveer 1860 ontstaan is, gooit de deur dicht voor de gedachte dat de ontstaansgeschiedenis van het OLB ingewikkelder is. Het is opmerkelijk dat Jensma zo weinig aandacht geeft aan de hypothese dat de oorspronkelijke auteur (of ik zou liever zeggen: een auteur van OLB-teksten) Johannes Jans over de Linden kan zijn, die van 1790 tot 1804 boekverkoper was in Enkhuizen (dus waarschijnlijk zeer belezen) en een man met een kunstzinnig schrijftalent en de man die het familiewapen liet maken met een bron en het woord ‘Waak’. Deze hypothese komt van Wigholt Vleer. Hij werkte zijn visie uit in 1952, publiceerde deze in de Leeuwarder Courant van 29 augustus 1959 en hij kwam er in 1996 op terug in een brief aan de RVU Educatieve omroep. Deze brief wordt in dit nummer van SEMafoor gepubliceerd. Vleer wordt door Jensma niet serieus genomen, waarschijnlijk omdat hij ook een paar boeken over leylijnen publiceerde, maar bekend is dat de reeds genoemde codex-expert W. Hellinga tot de bevinding kwam dat de inkt van de bewaard gebleven OLB-tekst van vóór 1820 dateerde en dat hij de hypothese van Vleer ondersteunde. “De zaak was opgelost: de boekenverkoper was de auteur”, zegt Vleer, “Hellinga zag het niet meer zitten, en stopte met zijn onderzoek”, beweert Jensma. Hellinga was geen Fries anders had hij het wel langer volgehouden. Iemand die de hypothese van Vleer ook steunde was de oud-burgemeester van Graft-De Rijp en Weesp: Henk over de Linden. Dat stond in elk geval in een artikel in de Leeuwarder Courant van 4 januari 1992. In dezelfde krant (22 juni 1984) publiceerde Kerst Huisman een artikel in het Friese dialect dat Jensma gelezen moet hebben. Het artikel begint met de mededeling dat de grootste humorist van het Nederlandse geschiedkundige wereldje Albert Delahaye uit het Brabantse Zundert is. Deze visie wordt vooral gebaseerd op een onuitgegeven en niet geautoriseerde tekst² van Delahaye die Huisman op een of andere manier in handen gekregen heeft, ongetwijfeld vertrouwelijk. Op dit soort informatie badineert Jensma dan verder. 

De gelovers
Jensma beweert het volgende (p. 188): “Molenaar noch Vleer durfden, en het typeert de Nederlandse situatie , het boek onomwonden voor echt verklaren”. Wat een vreemde uitlating. Welke Nederlandse situatie? Gaat het om een niet-Friese situatie? Dit permitteert Jensma zich wel meer, een soort neerbuigende en onjuiste uitleg, vooral als het gaat om mensen van buiten de conventionele club van betrokkenen. Naar mijn mening was Vleer al in 1952 overtuigd van de mystificatie. Hij was geconcentreerd op de mogelijke auteur. Vleer was geen OLB-gelovige, ondanks zijn leylijnen. De belangrijkste gelovige was uiteraard Jan Ottema die het manuscript in 1876 uitgaf en vertaalde. Hij maakte van een grap een internationale deining. Je kunt hem het beste zien als een gelover tegen beter weten in. Zijn geloof in de grote voorgeschiedenis was sterker dan de leer over historische taalkunde. Wie de beschouwingen van Ottema doorleest, krijgt nu niet bepaald de indruk dat we met een uilskuiken vandoen hebben. Inderdaad: geleerd en toch goedgelovig. Hij moet op een gegeven moment ingezien hebben dat hij te pakken was genomen en het feit dat hij zich verhing kan hiermee in verband gebracht worden. Begrijpelijk dat het toen een tijd stil werd rondom het Oera Linda boek. Maar er bleven gelovers. Deze gelovers worden door Jensma anders behandeld dan Ottema. Daarover een paar opmerkingen. Ik begin met een citaat (p.192): “Ook wordt het Oera Lindaboek nog steeds her en der – maar niet in Friesland !- gebruikt om taalnationalistische aspiraties kracht bij te zetten. Albert Delahaye beweerde dat belangrijke episodes uit de Friese geschiedenis hadden plaats gevonden in Noord-Frankrijk. Aan het eind van zijn leven paste hij dit denkbeeld toe op het Oera Lindaboek en hij vond in Vlaanderen aanhangers, bijvoorbeeld Joël Vandemaele, wiens naam vermoedelijk wel zal zijn afgeleid van OLBees MALJA = mallen, gekspreken. Een Vlaamse taalkundige is ondertussen al enkele jaren bezig om het boek in het West-Vlaams te vertalen om zo de afvallige Vlamingen in Noord-Frankrijk weer over te halen tot het spreken van het West-Vlaams. Vergelijkbaar is het streven van Adriaan Snyman, die het boek in het Zuid-Afrikaans vertaalde: Die Oera Linda boek: die verstommende verhaal van Atlantis waar Afrikaans 4000 jaar gelede sy ontstaan gehad het. Het Afrikaans is een dialect van het OLBees. Ondanks deze verschillen in politieke geaardheid, zien we telkens opnieuw hoe (post) moderne religiositeit niet tegengesteld is aan de amusant onthutsende historische naïviteit die al deze lezers aan de dag leggen, maar hoe beide elkaar juist voortdurend versterken. Aan alle associatief bij elkaar geharkte historische en spirituele ‘onzin’, gaat geloof vooraf. De receptie van het Oera Linda-boek past in een veel breder proces van secularisatie van godsdienst en is er zonder misschien zelfs ondenkbaar”.
Wat Delahaye betreft heeft Jensma maar één journalistieke bron op het oog , namelijk de artikelen van Kerst Huisman waarin overigens ex-burgemeester Henk over de Linden zich positief opstelt ten aanzien van de hypothese van Wigholt Vleer, maar waarin hij ook vermeldt dat Albert Delahaye op het einde van zijn leven een fan was van het OLB en er zelfs zijn verhalen op baseerde. Dat valt niet mee om op het einde van je leven je levenswerk te baseren op een geloof in het OLB. Onzinnige praat. De waarheid is dat het werk van Delahaye absoluut niet gebaseerd is op het OLB, dat hij inderdaad een tijdlang het OLB als ondersteunend werk ging zien, dat hij daarover ook een getypt manuscript vervaardigde en dat hijzelf besloot om deze tekst niet uit te geven. Ook de bezorgers van het postume uitgaven van het werk van Delehaye zagen ervan af. In 1985 schreef gemeente-archivaris W.A. Fasel aan Delahaye dat Delahaye “zijn moeizaam opgebouwde geloofwaardigheid niet alleen kapot maakt, maar zich ook onsterfelijk belachelijk maakt”. In dit geval kunnen we ervan uitgaan dat Delahaye deze conclusie ook trok.Wat Vandemaele betreft, is het wel juist dat deze auteur twee van zijn publicaties (mede) heeft gebaseerd op het OLB. Hij gebruikt in twee boeken het Oera Linda boek duidelijk als authentieke bron, namelijk in: In de spiegel der geschiedenis (1996) en Controversiële geschiedschrijving (1999). Beter gezegd: beide boeken zijn doordrenkt van het Oera Linda boek. De vraag die hier nu opduikt is dus welk belang kunnen deze boeken hebben als we het OLB zien als een mystificatie. Jensma geeft een vermoedelijke uitleg van de naam van Vandemaele (zie citaat). Volgens de vertaling van het OLB van Ottema betekent ‘mal(l)en’ in het OLBees echter ook ‘kwaadspreken’, en dat is: met uitspraken iemand kwaad doen. Jammer dat kennelijk op deze wijze succes gemaakt wordt. Even goedkoop is de uitdrukking ‘afvallige Vlamingen’ als metafoor voor een taalstrijd. Als afvallige Fries³ heeft Jensma zijn dissertatie toch maar in het Nederlands gepubliceerd.

Uitleiding
In welk opzicht heeft het Oera Linda boek historische betekenis? Het OLB is op zichzelf geschiedenis van rond 1800 tot heden, en daar zijn dan inmiddels meer dan 1000 redelijk substantiële publicaties aan gewijd. Zie de literatuurlijst van Jensma. Het OLB is voor wat betreft de vroege geschiedenis van de Friezen een indirecte bron. Men kan dit boek eigenlijk vergelijken met een historische kaart. Historische kaarten zijn reconstructies: ze geven weer wat in een bepaalde periode de historische inzichten zijn. Deze inzichten kunnen bijvoorbeeld gaan over het rijk van Karel de Grote. Anno 2000 tekent iemand een kaart over de tijd rond 800. Een historische kaart is dus van geheel andere orde dan een werkelijke geografische kaart. Zo is het Oera Linda boek een reconstructie, een indirecte visie op een bepaalde periode als men er de ridiculiseringen en grappen uit haalt. Er is bijvoorbeeld de legende van Friso of we dit nu leuk vinden of niet. Het OLB beantwoordt wel degelijk aan historische opvattingen, en die waren rond 1600 en 1800 nu eenmaal anders dan nu. Als men dit in ogenschouw neemt dan kan niet gezegd worden dat het OLB niets te maken heeft met visie op historie, ook al vinden wij dat deze visie een fantasierijke veronderstelling is. Plato’s visie op Atlantis is dat eveneens. Het OLB is geen werkstuk dat bedoeld is om een alternatieve geschiedenis te schrijven. Het is van geheel andere orde dan de publicaties van Erich von Däniken, Thor Heyerdahl, Graham Hancock die proberen te beargumenteren dat de historische zaken anders zijn gegaan dan we denken. Onderzoekers als Emannuel Velikovski en Zecharia Sitchin doen dan op een nog beter niveau. Op meer journalistiek vlak is er in het begin van het derde millennium een hausse aan nieuwe onthullingen en openbaringen: het is een bepaalde boekensoort geworden. Als we dit alles generaliserend pseudowetenschap willen noemen, dan kan dat, maar het is ook een feit dat het omstreden zijn van auteurs en hun visies nogal eens niet meer is dan een mode die voorbijgaat. Wat eerst pseudowetenschap was en als zodanig benoemd werd, blijkt toch te kunnen leiden tot veranderingen in wetenschappelijke opstellingen en gezichtspunten. Hiervan is echter bij het OLB geen sprake. 

Noot
¹ Het begrip ‘vervalsing’ wordt wel gebruikt bij een mystificatie waarbij fraude in het geding is. Konrad Kujau (echte naam: Fischer) produceerde de zogenaamde dagboeken van Adolf Hitler die via Gerd Heinemann door Der Stern in 1983 gepubliceerd werden. Pas onder internationale druk liet dit tijdschrift deze ‘dagboeken’grondig testen. De aankoop van deze mystificatie en vervalsing (valsheid in geschrifte, omdat ze op naam gezet waren van Hitler) kostte Der Stern in totaal 19 miljoen mark. Heinemann en Kujau gingen achter slot en grendel wegens fraude. Vijf miljoen is nooit achterhaald.

² Voor belangstellenden is dit manuscript verkrijgbaar tegen kopieer- en portokosten bij de Stichting Albert Delahaye, Hof 6 4854 AZ Bavel

³ In de zomer van 1823 wandelt Jacob van Lennep door Nederland. Vergeleken met andere provincies wordt er heel wat tijd doorgebracht in Friesland. In Hindeloopen hebben de huizen een “ruime bedstee die men met een trap of ladder inklimt, geeft plaats aan man, vrouw en kinderen, en ook aan gasten die naar hun geslacht naast de man of naast de vrouw slapen”. Keurige mensen die Friezen. Ze houden de zaken goed uit elkaar. In Sneek laat de predikant het werk zien van Pieter Jacobsz. Van Thabor of Petrus Thaboria, dat gaat over de geschiedenis van Friesland van 781 tot 1527. In Leeuwarden bezoeken ze een school “waar ruim 400 kinderen in een goed lokaal bij elkaar zaten”. In Dokkum worden ze door de dominee vijandig ontvangen. Na al dat gewandel komt Van Lennep tot een oordeel over de (stugge) Fries: “Nee, liederlijke genieting, lage wellust, tomeloze losbandigheid, smerige zedeloosheid zijn het die hij najaagt en dronkenschap, beestachtigheid en woestheid hebben de ereplaats bij zijn feesten”. Ter staving van zijn waarneming haalt Van Lennep aan dat op een bevolking van 19000 zielen Leeuwarden dertig a veertig bordelen telt, “om van het overige nog maar te zwijgen”. Friezen zijn stijfkoppen en gaan er extreem prat op dat alles wat Fries is beter is, een visie die gepaard gaat met ‘onkundige verachting van alles wat uitheems is”. 

Literatuur
1. Archäologie in Deutschland, Thema: 150 Jahre Pfahlbauforschung, mei-juni 2004. p. 20- 
38
2. G. Jensma, De gemaskerde God, Francois HaverSchmidt en het Oera Linda boek, Zutphen 
2004
3. W. Fuld, Das Lexikon der Fälschungen. Fälschungen, Lügen und Verschwörungen aus 
Kunst, Historie, Wissenschaft und Literatur, Frankfurt am Main 1999
3. G. Mak en M. Mathijsen, Lopen met Van Lennep, Zwolle 1998
4. G. C. Molewijk, Het Oera Linda Boek, Skepter 1999, p. 33
5. J. Ottema, Thet Oera Linda Bok, Leeuwarden 1876 (2)
6. A. Vitringa, Naar aanleiding van Thet Oera Linda Bok, Deventer 1874, herdruk 
Amsterdam 1973
7. W. Vleer, Leylijnen en leycentra in de Lage Landen, 217 heilige plaatsen in Nederland en 
Vlaanderen, Deventer 1992

Valid HTML 4.01!