logo

[Terug naar hoofdpagina] [Contactgegevens]

VAN DE ROOMSCHE KATHOLIEKE WERELDPOST NAAR HET KATHOLIEK NEDERLANDS PERSBUREAU

(De geschiedenis van het geloof in een eigen katholieke nieuwsdienst van 1927 tot 1973)

door Corrie Sweep en Ad Maas

De werkelijke gang van zaken bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, tijdens die oorlog en zelfs bij en na de bevrijding levert na decennia van onderzoek en studie niet meer een aanvankelijk volgehouden florissant en heroïsch beeld op van de mentaliteit en het gedrag van "de" Nederlanders in die periode. Het beeld is nogal eens ontluisterend. De behandeling van de Joodse landgenoten tijdens en na de oorlog en de medewerking aan hun deportatie vormen een voorbeeld. Ook de rol van de pers in het algemeen moet tot die ontluistering gerekend worden: een aanzienlijk deel ervan vertoonde weinig moed en ruggengraat. Er was in een aantal gevallen wel degelijk sprake van verzet en de ondergrondse pers is zeker van veel betekenis geweest, maar in het totaalbeeld overheerst een zeker verhuld opportunisme en een houding van afgedwongen meewerken met de bezetter. Vanzelfsprekend kan zeker ook in dit geval volgehouden worden dat een beperkte meegaande opstelling met de bezetters de minst slechte keuze was, maar een principiële - die achteraf zo gemakkelijk te poneren is- ziet er toch anders uit. Voor de oorlog was de voorlichting over het nationaal- socialisme beperkt: de pers was vaak onvoldoende op de hoogte ( men was niet ter plekke aanwezig en de nieuwsgaring was zwak), de angst voor economische sancties vanuit Duitsland was groot, en de traditionele ideologische basis van de kranten belemmerde scherpe en concrete analyses van de anti-humane ontwikkelingen in Duitsland: kritische geluiden kwamen wel over maar niet informatief genoeg om het nabije gevaar te beseffen.

Wat betreft de pers is er na de Tweede Wereldoorlog een merkwaardig soort indoctrinatie ontstaan: het collaborerende element zou vooral in de confessionele en in het bijzonder in de katholieke hoek gezeten hebben, te beginnen met de ex-pers-behartiger kardinaal Pacelli die kort voor de oorlog werd gekozen tot paus: Pius XII. Communisten en socialisten waren lange tijd haast per definitie de echte anti-nazi's en de bewakers van de humaniteit. Niemand gelooft nog in die mythe sinds de muur viel en het kennelijk niet meer een taboe is om op dit terrein waarheid te zoeken. In dit historisch overzicht worden vooral feiten getoond ten aanzien van de motieven om te komen tot een apart katholiek persbureau.

"Katholieke nieuwsvoorziening", het klinkt gedateerd en reactionair, en zo'n mentaliteit kan er inderdaad achter die woorden schuil gaan. Maar er is ook een andere werkelijkheid.

Het meest veelzeggende feit is ons inziens de expliciete anti-nationaal-socialistische opstelling in een vroeg stadium van het persbureau Katholieke Wereldpers van Hein Hoeben. Moediger en invloedrijker verzet is niet gemakkelijk aan te wijzen .

Eerste initiatieven

Met de groei van het aantal dag- en weekbladen omstreeks 1920 ontwikkelde zich ook de zorg voor een goede "katholieke" berichtgeving. De noodzaak en wenselijkheid van een inhoudelijk vakbekwame en technisch goed georganiseerde katholieke persdienst werd dan ook door vooraanstaande katholieken uit de perswereld in zowel binnen- als buitenland naar voren gebracht, speciaal op de perscongressen "Pressa" in 1928 in Keulen en in 1930 in Brussel (1). In en vanuit ons land zijn er verschillende initiatieven geweest om tot een katholiek internationaal persbureau te komen.

In 1922 werd met de goedkeuring van de Franse bisschoppen het "Oeuvre du France de la Presse" opgericht. Het doel van dit instituut was steun te geven aan de katholieke bladen. Op initiatief van kardinaal Dubois ontstond daaruit een Centrale Persorganisatie (Organisation Centrale de la Presse Catholique) die vooral ging fungeren als informatiebureau voor de katholieke bladen. Hiermee was de stichting van een internationaal informatiecentrum mogelijk geworden. Omdat de medewerking werd verkregen van de katholieke universiteiten in Frankrijk, was het mogelijk de berichten in alle wereldtalen te verspreiden. Er zou ook een bureau in Amsterdam gevestigd worden, dat ook voor niet-katholieke bladen nuttig kon worden, omdat het niet alleen berichten van kerkelijke aard zou gaan verspreiden. Voor zover ons bekend, is het bij deze plannen, wat Nederland betreft, gebleven ( 2).

In 1927 startten F. Lammers, Fr. Krijzer en H. Nieveen van Dijkum het Katholiek Internationaal Persbureaux (K.I.P.) te Den Haag en ze vroegen hiervoor de goedkeuring van het episcopaat. Deze steun bleef echter achterwege. Ook de KRO weigerde zendtijd voor specifiek katholieke berichtgeving van het K.I.P., omdat ze er de voorkeur aangaf deze berichtgeving zelf te blijven verzorgen. Hoewel er hard gewerkt werd aan de uitbouw van het K.I.P., moest het toch na 1 1/2 jaar worden opgeheven (3).

In 1931 wendde A.E. Leo zich vanuit Frankfurt am Main tot de Nederlandse bisschoppen om goedkeuring te krijgen voor het vestigen van een afdeling van de "Europapresse" in Nederland.

Europapresse leverde toen reeds 16 jaar berichten aan enkele katholieke kranten in Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland. Maar ook deze goedkeuring bleef uit (4). Daarnaast was in Freiburg de "Katholischen Internationalen Presse Agentur" (KIPA) aktief en in 1927 was er ook een Nederlandse afdeling gesticht. In 1931 beklaagde het KIPA zich erover dat het van de Nederlandse bisschoppen geen erkenning kreeg en veel hinder ondervond van een persagentschap in Keulen, dat bij een aantal kleine uitgeverijen een monopolie-positie had weten te verwerven (6). Hierover zo dadelijk meer.

Ook de volgende initiatieven zijn nog vermeldenswaard: J. Matla richtte in 1933 het "Haagsch Persbureau" op en A. Rijnbende maakte in dat jaar een plan bekend voor de oprichting van het "R.K. Persbureau" (5).

Initiatief vanuit Keulen

Pater Dr. F.M. Muckermann was circa 1925 begonnen met een klein katholiek persbureau "Katholischen Korrespondenz" te Münster en sinds 1927 opereerde Hein Hoeben vanuit Breda met zijn "Roomsche Wereldpost". In dat jaar organiseerden Julius Stocky, uitgever te Keulen, en Muckermann een eerste bijeenkomst met Leon Merklin, hoofdredacteur van de Franse krant "La Croix" , om een meer internationale samenwerking te bereiken. Al snel nam Hein Hoeben deel aan dit overleg. Muckermann redigeerde ook het - aanvankelijk literaire - weekblad "Der Gral" , waarvoor Hoeben recensies leverde. Zij wisselden ideeën uit en er ontstond tussen beiden spoedig een verdergaande samenwerking. Uit het genoemde overleg ontwikkelde zich geleidelijkaan een internationale vereniging van persmensen die een kantoor stichtten in Keulen. Dit kantoor kwam onder leiding van H. Hoeben te staan, terwijl de assumptionist Leon Merklin president werd. Er sloten zich hoe langer hoe meer kranten bij dit agentschap aan. Er werd onder meer vergaderd in Parijs, Rotterdam, Luxemburg, Wenen, Boedapest, en Keulen. Hierdoor werd een web van katholieke contacten over Europa gesponnen. De deelnemers deelden allen hun katholiciteit en ontwikkelden, volgens F. Muckermann, een diep inzicht in de politieke en maatschappelijke ontwikkelingen en problemen en de positie van de katholieke kerk daarin (7).

In 1928 ontstond uit deze samenwerking de persorganisatie "De Katholieke Wereldpost" met als vestigingsplaats Breda. Hier begon H. Hoeben in moeilijke omstandigheden aan de uitbouw van een persagentschap dat tot een activiteit van wereldformaat zou gaan uitgroeien. In hetzelfde jaar werd Hoeben, toen 29 jaar oud, op een tentoonstelling van de katholieke pers te Keulen secretaris van een commissie die tot taak kreeg een internationaal centrum van katholiek nieuws voor de pers voor te bereiden (1). Hoe komt het, kan men zich afvragen, dat allerlei initiatieven om tot een katholiek persbureau in Nederland te komen, faalden en dat H. Hoeben hier wel in slaagde? Het aan fanatisme grenzende idealisme van Hoeben, zijn bekwaamheid en enorm grote inzet, gebaseerd op een diepgaand geloof en een intense devotie, kan men zien als een verklaring.

In 1930 tijdens het Perscongres te Brussel was er een comité in het leven geroepen, waarin vooraanstaande katholieken uit verschillende landen zitting namen, onder anderen Muckermann (Duitsland), Merklin (Frankrijk), Konsidine (Verenigde Staten), Pauchard (Zwitserland), Solache (Spanje), Demasteau (Belgie), Greenwood (Engeland), Bangha (Hongarije), Stocky (Directeur van de Kölnische Volkszeitung ) en Hoeben (Breda), die tevens secretaris werd van dit comité. Ondertussen werden cira 40 bladen in Nederland en Vlaanderen door de KWP bediend en een krant in Nederlands-Indië. In een schrijven van 20 oktober 1930 sprak de directeur van de Maasbode (H. Kuypers) een krachtige ondersteuning uit voor de KWP. In december 1931 richtte Hoeben zich tot het Nederlands episcopaat met het verzoek om medewerking t.a.v. zijn persbureau. Hij kreeg deze medewerking zonder restrictie. Deze goedkeuring werd bekrachtigd door Mgr. Hopmans van Breda in woorden en in de daad om kapelaan A. Van Lierop vrij te stellen voor de KWP (9).

Op de vlucht voor het nationaal-socialisme

Na Hitlers greep naar de macht in 1933 werd de katholieke persdienst in Duitsland opgeheven: dat was Hitlers eerste aanval op de christelijke ideeën. Een groot aantal arrestaties van priesters en leken, die zich niet wensten te onderwerpen aan de "beginselen" van het nationaal-socialisme, vond al plaats in 1933 en 1934. Veel kritische journalisten, publicisten en bestuurders van vakbonden voelden zich in Duitsland niet meer veilig. Muckermann kon ternauwernood via een klooster te Glanerburg ontsnappen aan de Gestapo. Hij vestigde zich in een kamer van het ziekenhuis te Oldenzaal. Hier had hij regelmatig contact met Hoeben. In Oldenzaal ontmoette hij de eveneens gevluchte Josef Steinhage. Deze gaf het toen noodlijdende blad "Deutsche Post für Holland" uit. Muckermann nam het blad over en ook het correspondentiebureau uit Münster werd naar Oldenzaal overgebracht. Al snel groeide het blad uit onder de naam "Der Deutsche Weg" (later "DDW", nog later, uit veiligheidsoverwegingen, zonder titel) en werd het clandestien in Duitsland verspreid en naar katholieke Duitsers buiten Duitsland verstuurd.

Vanuit "Der Deutsche Weg" kwamen er ook artikelen van Muckermann bij de Katholieke Wereldpost. Ook rector Lambert Rooyackers, hoofdredacteur van de St. Jansklokken, publiceerde regelmatig artikelen van F. Muckermann. Hierin werd verteld wat zich werkelijk in Duitsland afspeelde. Daarom werden de dreigementen vanuit Duitsland ten aanzien van de medewerkers van zowel "Der Deutsche Weg", de "St. Jansklokken" en de Katholieke Wereldpost steeds scherper (7). Op 2 juni 1933, op het Journalistencongres te Rome, werd de Katholieke Wereldpost opgericht door F. Muckermann S.J., A. Bangha S.J. en Hein Hoeben. Het persbureau van Hoeben werd eenstemmig als de meest volledige, uitgebreide en best georiënteerde katholieke nieuwsdienst geprezen. Ondertussen groeiden de buitenlandse contacten.

Een van de Duitse vluchtelingen was de uit Münster afkomstige journalist Franz Balhorn. Hij was journalist en vakbondsman. Hij vestigde zich onder de schuilnaam Franz von Degen te Breda en werd een vaste medewerker van de KWP (10) . Vanuit Breda werden ook de Duitse kranten bediend in Silezië, Oostenrijk, Roemenië, Brazilië, Chili en andere landen. Zodra echter de onderwerping van alle Duitsers in Europa aan de "Nieuwe Orde" een feit was, maakte een terreurcampagne, georganiseerd door de vijfde colonne ("Auslanddeutschen") het een aantal Duitse bladen in Brazilië en Chili onmogelijk hun anti-nazi-campagne, gedocumenteerd door de dienst van Hoeben, voort te zetten (7). Om een meer concreet beeld te krijgen van het dagelijks werk van de KWP, nemen we een willekeurige dag, bijvoorbeeld 6 juni 1933 en bekijken, welke persberichten op die dag vanuit het kantoor verstuurd werden. Hier volgen ze in willekeurige volgorde (11):

Omstreeks 1935 werden Muckermann en Hoeben door paus Pius XI in een speciale audiëntie ontvangen. Zij vroegen de goedkeuring van de paus voor hun perswerk en speciaal voor de rol van leken in kerkelijke zaken, zoals het perswerk werd gezien.

Pius XI reageerde aanvankelijk afwijzend op zowel het eerste als tweede verzoek. De medewerkers van de persbureaus konden allerlei zaken voorbereiden, maar of iets wel dan niet gepubliceerd zou worden moest een zaak van het Vaticaan blijven. Om nader tot de paus te komen werd contact gezocht met de "Osservatore Romano", waarvan Guiseppo dalle Torre leider was. Hij was voor het fascisme van Mussolini naar Vaticaanstad gevlucht en als leek een goede schakel tussen de katholieke pers en de paus. Spoedig daarna kreeg de Unie van de Katholieke Wereldpers de pauselijke goedkeuring en werd de rol van de leken in de kerk daardoor bekrachtigd ( 7).

Anti of samen?

Werd de KWP aanvankelijk opgericht als een bureau voor de berichtgeving van, voor en over het katholicisme, allengs ontwikkelde zich een anti- nationaal-socialistische houding en werd de KWP voor de Duitsers hoe langer hoe meer een doorn in het oog. Maar niet alleen in Duitsland wekte de KWP irritatie op. Ook in Nederland vonden onder meer H. van den Broeck en A. van de Poel, verbonden aan de Limburgse Koerier, onderdeel van het Neerlandia-concern, dat de journalisten beter tegenover de Duitsers hun goede wil konden tonen om samen naar een rechtvaardig Europa te streven. A. v.d. Poel schuwde het niet om zelf naar Berlijn te reizen om een zekere Göbel, die daar een persbureau runde, van de anti-Duitse houding van de KWP op de hoogte te brengen. In de herfst van 1934 richtte Göbel het "Nederlandsch Katholieke Correspondentie Bureau" (NKCB) op. Het NKCB stelde zich ten doel de verhouding tussen Nederland en Duitsland te verbeteren door het wegnemen van de "misverstanden". Aanvankelijk trad A. Vriens op, ambtelijk zielzorger van de Nederlanders en Vlamingen in Berlijn, als contactpersoon en redacteur. De sterk pro-nazistische houding van het persagentschap kreeg weinig sympathie in Nederland. De Maasbode uitte zijn protest tegen het NKCB openlijk, terwijl onder meer de Limburgse Koerier het dubieuze agentschap steunde (1). Toen Vriens op last van kerkelijke autoriteiten zijn werk moest staken, namen pastoor Leonards ( oprichter en raadgever) en pastoor Schols zijn werk over. Het persbureau werd Deo et Patriae genoemd. De zwaar misleidende artikelen waren voor de KWP aanleiding zich hierover te beklagen bij Mgr. Hopmans. Er werd besloten om door tussenkomst van de pauselijke nuntius, Mgr. P. Giobbe, een officiële aanklacht in te dienen. Dit resulteerde in een beslissing van de bisschop van Berlijn om het "suspensio divinis" uit te spreken. Hierdoor werd het beide geestelijken verboden nog artikelen over het katholieke geloof te publiceren (10, 12).

Uitgroei KWP

Ondertussen steeg de KWP in aanzien. In 1936 richtte aartsbisschop De Jong een waarderend schrijven aan de KWP, evenals een aantal hoofdredacteuren van toonaangevende kranten in binnen- en buitenland. Door Mgr. Hopmans werd een "Raad van Beheer en Advies" geïnstalleerd. De samenstelling was als volgt:

Tevens werd bij het 10-jarig bestaan van de KWP een brochure uitgegeven met het doel te informeren over inrichting en werkwijze van de KWP. We lezen daarin dat in de katholieke berichtgeving de strijd tegen de leugen en de macht van het woord wordt belicht. De uitgebreide internationale samenwerking, een "Informatiedienst omtrent het rijke Katholieke leven over geheel de wereld", komt ook aan bod.

Grote risico's

Omdat vele persagentschappen inmiddels in dienst waren gesteld van nationale propagandadoeleinden werd het journalistenwerk van de KWP omzichtig diplomatenwerk. Op het Congres van de Katholieke Wereldpers te Boedapest werd officieel het Internationaal Persagentschap in Breda gevestigd onder leiding van de KWP en werd Hoeben gekozen tot Algemeen Secretaris van het Permanente Comité van Directeuren van Katholieke Dagbladen ( 13). Omdat zowel de binnen- als de buitenlandse persdiensten groeiden werd in de jaren 1937 en 1938 een splitsing aangebracht bij de KWP: de nationale berichtgeving werd voortaan verzorgd door het Katholiek Nederlandsch Persbureau en de buitenlandse informatiediensten werden ondergebracht in de Stichting Katholieke Wereldpers, overeenkomstig de plannen van de Commission Permanente, opgesteld in Boedapest. Ondanks het grote levensgevaar eraan verbonden, begaven Hoeben en zijn medewerkers zich, evenals voorheen, regelmatig naar Duitsland, voorzien van valse paspoorten. Het beroemde "herderlijk schrijven van Fulda" van 1937 was bijvoorbeeld al in handen van Hoeben, voordat de nazi's er de inhoud van kenden, en werd het vanuit Breda verspreid over de hele wereld, een uur na de verijdeling van de verspreiding in Duitsland ( 1).

Actie voor God

In Brussel gaf pater E.P. Morlion leiding aan het persagentschap "Pro Deo". Op 1 maart 1937 kwam er een samenwerkingsverband tot stand tussen Morlion en Hoeben van de KWP. Deze samenwerking werd "Centrale Informatiedienst Pro Deo" genoemd, later kortweg C.I.P. of CIP. Volgens de overeenkomst van samenwerking werd de informatie van de Nederlandse en Duitse basisdienst, die 8 landen bediende, te Brussel in het Frans aangepast en verspreid in 23 landen. Ofschoon het netwerk van Breda zich wel degelijk specialiseerde in berichten van positief-godsdienstige aard, wist het de aandacht te wekken door zijn exclusieve berichten over de toestand in Rusland en vooral door het geregeld publiceren van geautoriseerde berichten over de godsdienstvervolgingen in Duitsland, uiteraard verkregen via werkwijzen die aan de controle van censuur en Gestapo ontsnapten (14). De waakzaamheid van de katholieken manifesteerde zich in 1936 bij een tiental priesters uit verschillende Nederlandse bisdommen, onder wie toen bekende personen als F. Feron en H. Poels (Roermond), G. van Noort (Haarlem), F. Frencken (Breda) en H. Mets (Utrecht), en een drietal hoogleraren van Nijmegen: Titus Brandsma, J. Koers en J. Hoogveld. Op 11 mei 1936 schreven zij aan een aantal niet nader aangeduide "Medebroeders in Christus" een brief waarin zij hun verontrusting uitten over de goddeloosheid en het moderne heidendom. Ze dachten aan het oprichten van een comité "Voor de Eer van God". Hieruit kwam op Hemelvaartsdag 1936 een bijeenkomst voort ten huize van de Vicaris van Den Bosch, P. Hendrikx, van een vijfentwintigtal vooraanstaande leken. In het najaar mondde dit overleg uit in de "Actie Voor God", die tot lang na de Tweede Wereldoorlog actief zou blijven en welke nauw verbonden zou zijn met de katholieke pers (15).

Uitbouw van het CIP

Omdat de doelstelling van het CIP en de K.A. (Katholieke Aktie) elkaar grotendeels overlapten werd bekeken, hoe een samenwerking opgebouwd zou kunnen worden. Bovendien zocht het CIP meer financiële middelen. Op 1 juli 1938 vond een onderhoud plaats tussen de heren Diepenbrock en Hoeben van de Katholieke Actie met de heer Wijffels van de Katholieke Nederlandse Dagbladpers (K.N.D.P.) over de financiële ondersteuning van het CIP. Daarbij werd overeengekomen dat het CIP zich ook ten dienste zou stellen van de Katholieke Actie. De redacteur van het CIP zou tevens optreden als perschef van de Katholieke Actie (16). Het eerste CIP-agentschap werd in juli 1940 operationeel op verzoek van Kardinaal Cerejeira die oordeelde dat Lissabon het beste centrum was voor de clearing van de nieuwsberichten die ontvangen waren langs niet gecensureerde wegen. In een brief van 12 augustus 1940 , voor de Amerikaanse bisschoppen aan Morlion overhandigd, schreef de patriarch van Lissabon: "Diep ervan overtuigd dat het nodig is alle katholieke krachten en zelfs alle godsdienstige pogingen in een actie voor God te verenigen om de beschaving te redden, hoop ik, dat de grote naties van de wereld, door middel van specialisten een machtige organisatie zullen weten te ontwikkelen voor een geestelijke hernieuwing der openbare mening". In september 1941 werd de CIP van New York gesticht. In 1944 werden er CIP-agentschappen opgericht te Ottawa (Canada), in Mexico voor Centraal-Amerika, te Montevideo (voor Zuid-Amerika), te Willemstad (voor Nederlands Oost-Indië) en later te San Juan. Bijzondere correspondenten te Londen, Freiburg en Stockholm vulden de clearing van de Europese berichten aan en verscheidene correspondenten bestudeerden de toestanden in Azië en Afrika. Het Italiaanse agentschap te Rome werd kort na de bevrijding in oktober 1944 opgericht. Op 17 november 1944 ontving Morlion een aanmoediging van de paus met de CIP-diensten door te gaan en in 1945 werd het Internationaal Instituut "Pro Deo" opgericht met de faculteit voor journalistiek. Op 15 februari 1946 trad de persdienst in Brussel weer in werking. Zo heeft Morlion het levenswerk van Hein Hoeben, die in 1942 in de politiegevangenis Alexanderplatz in Berlijn overleden was, voortgezet (14).

Intimidatie en wraak

De Duitsers ontgingen de activiteiten van de KWP niet. Volgens de Generalkommissar für das Sicherheitswesen vormde de KWP een haard van anti-Duitse propaganda en spionage. Onder een religieuze dekmantel werd Duitsland en het nationaal-socialisme over de gehele wereld schade toegebracht. In een officiële "Presseanweisung" voor Duitse bladen van 14 januari 1938 werd Hoeben gekarakteriseerd als "der Haupturheber der Katholischen Auslandhetze gegen Deutschland". Hoeben voelde zich dan ook steeds meer bedreigd (1).

Zes maanden voor de inval van de Duitsers in Nederland begon tegen Hoeben een "zenuwenoorlog". Elke avond bedreigden Nederlandse nazi's Hoeben via de telefoon: "Staakt uw anti-nazi-campagne of wij zullen u vermoorden op het ogenblik van den inval". Maar Hoeben zette zijn werk voort. Opportunisme was hem nu eenmaal compleet vreemd. Op de dag van de aanval lieten Duitse vliegtuigen in de morgenuren, uiterst laag vliegend, zonder daarbij enige tegenstand te ontmoeten, voor het KWP-kantoor een bom (18) vallen die aan drie personen het leven kostte. Was deze bom voor de KWP bedoeld? De bom is een feit, maar de mogelijkheid bestaat dat het om een van de bommen ging die bedoeld waren voor het vernielen van de spoorlijn Breda-Tilburg. Hoeben vluchtte op 11 mei met zijn familie via Chaam naar België en vond een toevlucht op de Katholieke Centrale te Brussel en ging vandaar met een van zijn medewerkers, Louis Soeterboek, en diens vrouw naar Parijs. Daar was hij te gast bij Franciscus Gay, stichter van "l'Aube"(19). Ondertussen bevond Morlion zich in Poitiers. Op 6 juni 1940 schreef Hoeben hem vanuit Parijs dat de omstandigheden hem voorlopig beletten het werk voort te zetten en hij noteerde het verzoek of de opdracht:"Wij zullen dus de uitgave van den dienst centraliseren in uw handen"(14). Hierboven is reeds vermeld hoe Morlion na de oorlog deze taak inderdaad weer oppakte.

De vlucht van Hoeben met zijn gezin door Frankrijk eindigde met een verbijstering wekkende terugkeer naar Nederland, die hem - en dat moet hij geweten hebben - in armen van de Gestapo dreef (35). Met verschillende vooraanstaande katholieken zat hij enige tijd in gevangenschap in Vught en tenslotte in de gevangenis aan de Alexanderplatz in Berlijn waar hij op 28 februari 1942 na veel ontberingen stierf. Het woonhuis van de familie Hoeben werd gedurende de oorlog door de Gestapo in gebruik genomen. Het woonhuis en kantoor waren door het bisdom Breda aan de familie en de KWP ter beschikking gesteld. Na de oorlog zorgde J.P.J. Asselbergs in samenwerking met notaris Drion voor de verkoop van het pand en kwamen alle activa en passiva in handen van het bisdom(20). Het waardevolle KWP-archief, uniek in Europa, 22 ton zwaar, werd door een Sondernkommando van het Reichssicherheitshauptamt met behulp van twee goederenwagons naar München vervoerd, waar het opgeborgen werd in het "Kulturarchiv" van de Führer(17). We hebben geprobeerd (overblijfselen van) dit archief te achterhalen. Met behulp van o.a. het Instituut voor Sociale Geschiedenis te Amsterdam leidde het spoor naar Moskou, waar dus nog nader onderzoek moet plaatsvinden. De omstandigheden om ter plaatse verder te zoeken bleken verre van ideaal.

Oorlogssituatie

Ondertussen werden de omstandigheden voor de katholieke pers in Nederland na de Duitse inval steeds slechter. In juni 1940 stichtten een aantal Nieuwe Ordejournalisten met de NSB-er T. Goedewaagen als gangmaker een "Raad van Voorlichting der Nederlandsche Pers" (RvV) en vervolgens het Verbond van Nederlandsche Journalisten. Deze Raad wilde samenwerken met de Duitsers en deinsde er niet voor terug oude organisaties te intimideren. Zo kregen de Duitsers zonder veel moeite de Nederlandse pers in handen.

De RvV bestond uit A. Meyer-Schwencke, directeur van enige kleine persbureaus, drie leden van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB): W. Goedhuys, T. Goedewaagen en M.M. Rost van Tonningen, verder P.J. van Mechelen, de door de Duitsers benoemde hoofdredacteur van het Algemeen Nederlands Persbureau (ANP) en zijn collega-hoofdredacteur van het Dagblad van Noord-Brabant en Zeeland: Albert van de Poel.

Van der Poel had veel invloed in het zuiden en zijn benoeming was voor de Duitsers dus een goede greep. Omdat de pers in het algemeen een zekere collaborerende houding had, begaf hij zich op een gemakkelijk te bewerken terrein. Met F. Herold, directeur van het Neerlandia-concern, waartoe het Dagblad van Noord-Brabant en Zeeland en de Limburgse Koerier van de Duits-gezinde H. Van den Broeck behoorden, nam Van de Poel al in 1937 zitting in de Raad van Bestuur van de KWP, omdat de anti-nationaal-socialistische invloed van de KWP hen niet beviel. Zo probeerden zij daadwerkelijk invloed uit te oefenen op de berichtgeving van de KWP. Voor de oorlog hield de Uitgeversmaatschappij Neerlandia zich reeds aan richtlijnen die gelijk gesteld kunnen worden aan die van het latere Journalistenbesluit. Van de Broeck was er technisch hoofdredacteur, A. Van de Poel inhoudelijk hoofdredacteur. In 1941 wilde men Van de Broeck ontslaan, maar deze genoot rechtstreekse bijstand van het eerste kamerlid Mr. Van Vessem.

De argumentatie van Duitsgezinde persmensen was eensluidend: als wij stoppen, kopen de mensen een krant, die nog gevaarlijker is, en het leidt tot ontslag van vele collega's. Toch hadden een aantal bladen de moed om te stoppen. In september 1940 werd Van de Poel door de Duitsers gearresteerd, maar na verhoor weer vrijgelaten. Toch werd hij in januari 1941 weer opgepakt, waarschijnlijk door zijn banden met de KWP, en tot eind 1943 in het kamp Neuengamme vastgehouden. Dankzij deze periode genas Van de Poel later van zijn Duitse sympathieën( 21). Bij een verordening van 22 november 1941 werd de Nederlandsche Kultuurkamer in het leven geroepen. Het Verbond van Nederlandsche Journalisten werd en bloc bij de Kultuurkamer ingelijfd in een zogenaamde vakgroep van het Persgilde. Hoe dit werkte blijkt onder meer uit het feit dat de Nederlandse dag- en nieuwsbladen in de periode juni 1941 tot en met juli 1942 totaal een bedrag van f 3100,- aan boetes kregen opgelegd voor het feit, dat zij de door de Duitsers gewenste berichtgeving niet gepubliceerd hadden. Vele bladen verdwenen.

Hoeben wist zich meer en meer omringd door niet betrouwbare medewerkers, wat zijn werk zeer bemoeilijkte. Zelfs in eigen kring moest hij hoe langer hoe meer omzichtig omgaan met diverse berichtgevingen. Zo was daar bijvoorbeeld J.D.A. Schils, free-lance medewerker van de KWP. Hij werd hoofdredacteur van het collaborerende Dagblad van het Zuiden. Ook werd hij informant van GS3, de contraspionagedienst van de Generale Staf, en medewerker voor Vlaamse zaken van een SS'er op het Duits gezantschap te Brussel. Schils werd later begunstigd lid van de SS en behoefde zijn radio niet in te leveren. Zijn inkomsten wist hij nog te verhogen door ook nog de redactie te leiden van een Duitsgezind Landstandsorgaan en de hoofdredactie van een gedwongen fusieproduct op zich te nemen, ten aanzien waarvan de katholieke redacteuren hun functie hadden neergelegd (22).

De houding van de Nederlandse bisschoppen

Op 24 mei 1941 verscheen er een brief van Dr. J. De Jong, aartsbisschop van Utrecht, met daar onder meer de zinsnede: "Wij hebben er op principiële gronden bezwaar tegen, dat redacteuren van zuiver godsdienstige bladen, priesters zowel als leken, vragen te worden ingeschreven in het beroepsregister van journalisten (Journalistenbesluit van 3 mei 1941, art. 7). Zij, die zulks reeds gedaan hebben, worden verzocht hun aanvrage te herroepen" (23). De katholieke bladen behoefden volgens de aartsbisschop geen lid te worden van het persgilde en daardoor van de kultuurkamer, omdat de hoofdtaak van de Nederlandse Kultuurkamer het bevorderen van de Nederlandse kultuur was, terwijl de katholieke godsdienstige bladen ten dienste van de godsdienst stonden en dus geen verantwoording hadden af te leggen tegenover de volksgemeenschap, maar tegenover een hogere Macht. De president van de kultuurkamer had geen autoriteit op godsdienstig terrein en daardoor meende de aartsbisschop dat de instelling van het persgilde aan de godsdienstige bladen voorbij kon gaan (24).

Op 31 december 1941 richtte Titus Brandsma in zijn kwaliteit als geestelijk adviseur van de R.K. Journalistenvereniging een brief aan alle katholieke kranten. Aanleiding hiervoor was een voor de Duitse machthebbers uitgevaardigde lastgeving over het opnemen van advertenties van NSB-organisaties, waartegen geen verzet mocht worden geboden. Voor Titus Brandsma was - na overleg met de aartsbisschop - de maat vol. Het bevel was in strijd met de katholieke beginselen en op dit punt moest verzet geboden worden. Zelf ging hij de brieven bij alle katholieke dagbladdirecteuren bezorgen en toelichten. Ondertussen was de Duitse overheid door verraad op de hoogte van de reizen van de "katholieke pater". Hij werd in januari 1942 gearresteerd en overgebracht naar de gevangenis in Scheveningen. Via de gevangenis van Kleef werd hij tenslotte naar Dachau overgebracht, waar een dodelijke injectie na lange martelingen op 26 juli 1942 een einde aan zijn leven maakte. Hij werd een heilige van zijn tijd genoemd en op 3 november 1985 door Paus Johannus Paulus II zalig verklaard (25). In een schrijven van 3 februari 1944 van de Nederlandse bisschoppen uitten zij hun bezorgdheid ten aanzien van de katholieke pers. Deze zorgen werden tot uitdrukking gebracht in een Persplan, samengesteld door het episcopaat, dat echter een theoretisch gegeven bleef en niet tot uitvoering kwam( 26) .

De voortzetting van de KWP

Op het einde van de oorlog was het vuur van de KWP nog niet helemaal gedoofd. Zoals hiervoor vermeld werd, smeulde het voort in diverse buitenlandse CIP-agentschappen onder de bezielende leiding van onder meer E.P. Morlion. In de zomer van 1945 reisde Morlion reeds naar Brussel, Amsterdam, Parijs en Londen voor het oprichten van nieuwe CIP-agentschappen, hierbij aangemoedigd door de paus en Mgr. Montini, substituut-staatssecretaris van het Vaticaan. Om te voorkomen dat de katholieken te laat zouden komen in het heropleven van vrije initiatieven, na een periode van uitzonderlijke staatspropaganda, moest ook het Nederlands bureau rond november 1945 met zijn werkzaamheden beginnen. Ook zou er weer een hechte samenwerking tot stand moeten komen tussen de Katholieke Actie en het CIP.

Uit elk van de vijf bisdommen zou een vooraanstaande leek zitting krijgen in het Nederlandse bureau, met daarbij een geestelijk adviseur. A. Wijffels, directeur van het Provinciaal Noordbrabantsch Dagblad uit Den Bosch zou hiertoe de initiatieven nemen. Bij het opzetten van het bureau ondervond Wijffels aanvankelijk enige tegenwerking van Kuypers van de Maasbode, die waarschijnlijk onder invloed stond van het KIPA in Zwitserland. In augustus 1947 kon Wijffels toch daadwerkelijk met drie leden van de Katholieke Actie en drie leden uit dagbladkringen aan de slag. De bedoeling zou onder meer zijn dat het bureau ten aanzien van alle voor katholieke dagbladen rijzende moeilijkheden van principiële aard advies en zo nodig bindende voorschriften zou gaan geven, welke in de vorm van mededelingen aan de dagbladen zouden worden toegezonden. Op 26 september 1946 vond op het kantoor van de Katholieke Nederlandsche Dagblad Pers de oprichtingsvergadering van het Katholiek Nederlandsch Persbureau (KNP) plaats met leden van de Katholieke Actie. Op 22 oktober 1946 passeerden de statuten de notaris en was de oprichting van het KNP een feit( 27).

Het Bestuur was als volgt samengesteld:

Voorzitter Drs. H.H.Schure
Tweede voorzitter J.H.Kuypers
Leden Mr. A. Diepenbrock, priester
Mr. Dr. C.Ch.A. van Haren
F.J.M. Oremus
Secr.- penningm Mr. W. J.M. Huynen (directeur van het K.N.P.)
Geestelijk adviseur en censor Dr. C.P. Heymeyer, S.J.
Hoofdredacteur H.B.A.M. Kemna


Het bureau werd gevestigd in Den Haag en sloot zich aan bij de CIP- diensten, later NTERCIP en in 1947 INCAP geheten (Internationale Unie van Katholieke Persbureaux) (28).

De na-oorlogse perszuivering

Na de oorlog trad "De Commissie voor de Perszuivering" in werking. Op 24 mei 1946 werd bekend gemaakt dat H.A.R. van de Broeck voor 14 jaar, ingaande 11 januari 1947 uit elke journalistieke functie werd ontzet en Dr. J.E.A. van den Poel voor een termijn van 7 jaar. Over de houding van de pers in het bijzonder schreef de commissie: "In dit verband rijst de vraag hoe de leiding van Neerlandia, gezien haar principiële instelling, er toe gekomen is zo weinig tegenstand te bieden aan de druk, die de bezetter en diens Nederlandse handlangers uitoefenden. De commissie staat hier voor de vraag, die zij zich voortdurend heeft moeten stellen en zij meent dat, wat zij gedurende haar werkzaamheden ervaren heeft, de juistheid bevestigt van haar reeds in vroegere uitspraken neergelegde opvatting: dat de Nederlandse dagbladpers in haar geheel, toen in mei 1940 Nederland in de oorlog werd meegesleept, te commercieel was ingesteld en te weinig oog had voor haar ideële taak. De Nederlandse pers heeft zich er altijd op doen voorstaan dat zij het publiek had voor te lichten en te leiden, en zij maakte aanspraak op bijzondere voorrechten, om die taak naar behoren te kunnen vervullen, maar gedurende de bezetting is wel gebleken - althans voor wat het merendeel betreft, dus enkele loffelijke uitzonderingen daargelaten - dat dit hoge standpunt niet werd gehandhaafd, zodra commerciële motieven in andere richting drongen: toen gekozen moest worden tussen het handhaven der in rustige tijden met veel nadruk verkondigde onafhankelijkheid en het bukken voor bedreiging met economische nadelen, werd vrijwel algemeen de onafhankelijkheid opgeofferd. Er zijn loffelijke, zeer loffelijke uitzonderingen, maar in het algemeen heeft de Nederlandse pers na mei 1940 weinig ruggengraat getoond: de commerciële belangen gaven de doorslag en, vaak uit vrees voor concurrentie, werd de lijn gevolgd, die de zwakkere persoonlijkheden aangaven". Dit oordeel geeft ook nu nog veel stof tot nadenken. Voorts kwamen de foutieve handelingen van Van den Broeck en van Van der Poel uitgebreid aan de Orde. Ook J.D.A. Schils werd als getuige opgeroepen, maar zijn woord werd, gezien zijn houding en activiteiten in het kader van de Nederlandse pers, weinig waardevol geacht. Duidelijk werd dat Van de Poel bij de KWP betrokken is geweest om te proberen de anti-Duitse houding van het bureau te verzachten( 29).

Het KNP

In 1948 werd in Mainz de "Werkgemeenschap van Katholieke Journalisten" opgericht. Daarna werd tot een "Arbeitsgemeinschaft West" overgegaan, een bureau voor praktische samenwerking ten dienste van de katholieke journalisten, dat vooral ook bedoeld was om meer contacten met het buitenland aan te gaan knopen. Zo kwam ook in Duitsland na de Tweede Wereldoorlog de organisatie van de katholieke pers weer op gang(30). In oktober 1949 publiceerde "De Katholieke Journalist", orgaan van de Katholieke Journalistenkring, een waarderend schrijven ten aanzien van het KNP van kardinaal De Jong, aartsbisschop van Utrecht. Op 23 november 1949 ontving de paus de hoofdredacteur van het KNP en de secretaris van het INCAP. Ook was er een uitgebreid onderhoud met Mgr. Montini (31).

In 1949 werd het stoffelijk overschot van Hein Hoeben overgebracht naar Teteringen, waar de familie woonachtig was en is. De Brabants-Zeeuwse afdeling van de Katholieke Nederlandse Journalisten Kring wilde hier een gedenkteken aanbrengen, dat de herinnering aan Hoeben en zijn vriend Van Lierop levendig zou houden ; het stoffelijk overschot van Van Lierop verdween in de verbrandingsoven van Dachau. Een commissie, met als voorzitter J. Bruna (hoofdredacteur van De Stem) slaagde erin ook elders sympathie voor dit plan te winnen. De Katholieke Actie, De Katholieke Nederlandse Dagbladpers en het Katholiek Nederlands Persbureau (KNP) droegen samen met de K.N.J.K. bij aan de Zweeds-granieten dekplaat, waarop zowel Dr. H. Hoeben als kap. M. van Lierop worden gememoreerd.

In augustus 1957 volgde de heer C. van Haren de heer Kemna op als directeur van het KNP. Hij informeerde bij het bisdom Breda of er nog bezittingen rechtens aan het KNP konden toekomen. Blijkens een brief van 30 januari 1948, no 234, schreef Mgr. Baeten van Breda aan de heer J. Asselbergs te Bergen op Zoom, die na de oorlog met de liquidatie van de KWP werd belast: "In aansluiting bij onze besprekingen machtigen wij U, voor zover nodig, de activa van de K.W.P. in liquidatie over te dragen aan de K.N.P." Op 2 juni 1960 gaf het Bisdom Breda een "Acte van Cessie" af met als inhoud: "Overwegende, dat in art. 9 van de statuten der Stichting Katholiek Persbureau genaamd "Katholieke Wereldpers" bepaald is: "De goederen der Stichting zijn vanaf het einde der liquidatie ter beschikking van Zijne Hoogwaardige Excellentie de Bisschop van Breda": dat van deze bevoegdheid in 1948 gebruik is gemaakt door overdracht van alle activa en passiva aan de N.V. Katholiek Persbureau te Den Haag; dat het wenselijk is gebleken speciaal te doen uitkomen, dat deze overdracht ook heeft omvat de claim "rückerstattungsrechtliche Geldansprüche gegen das Deutsche Reich und Gleichgestellten Rechtsträger", dragende hiermede, voor zover zulks niet reeds eerder heeft plaats gevonden, in eigendom over aan de N.V. Katholiek Persbureau te Den Haag, die in eigendom aanvaardt, alle claims tegen het Duitse Rijk of tegen gelijkgestelde juridische personen, voortvloeiende uit het wegvoeren van het archief en de bibliotheek der voornoemde Stichting te Breda in het jaar 1940"( 32). Er zijn pogingen geweest om tot een schadeloosstelling te komen, maar deze zijn allemaal op niets uitgelopen.

KNP in verval

Ondertussen begonnen er moeilijkheden te ontstaan bij de KNP. Evenals bij de oude KWP was het persbureau afhankelijk van de financiële bijdragen van de afnemers en van congregaties, instellingen, e.d. De grote bladen gingen hoe langer hoe meer met eigen correspondenten werken, zodat de grootste afnemers het eerst gingen afhaken. De kleine kranten gaven de kleinste bijdragen, maar waren wel meer afhankelijk voor katholieke berichtgeving van de KNP. Door fusies nam het aantal van deze kleine afnemers echter ook af. Bovendien ging de ontzuiling toeslaan. Men raakte minder geïnteresseerd in het kerkelijk leven en specifieke godsdienstige berichtgeving. Toch nog plotseling kwam de opheffing van het KNP. De eigen argumentatie hierbij was niet zo duidelijk: "De ontwikkeling van de nieuws-communicatie in de laatste jaren heeft de voortzetting van deze gespecialiseerde berichtgeving in dit bestek van een bureau van beperkte opzet op den duur in toenemende mate moeilijk gemaakt". Er was de laatste jaren - soms terecht - kritiek op het bureau, waar - volgens F. Oudejans in zijn artikel "Het Einde van de KNP" aan ten grondslag lag: a. gebrek aan geld en b. de wat moeilijke situatie van een schakelfunktie tussen pers (KRO inbegrepen) en episcopaat, waarbij beide partijen als het zo uitkwam van het KNP gebruik maakten, maar even gemakkelijk, als dat beter schikte, het KNP lieten vallen. De katholieke kerkelijke overheid was in zoverre Romeins gebleven, dat ze nooit veel heeft willen weten van een eigen voorlichtingsdienst. Pas op 1 december 1972 trad in Utrecht een eigen voorlichtingsman van de bisschoppen in functie (H. Kouwenhoven) en enige weken later werd bekend dat het KNP zou worden opgeheven. Er zit geen relatie tussen deze feiten, aldus nog steeds Oudejans, maar het is wel opvallend. Toen het episcopaat eindelijk het nut van een voorlichtingsdienst inzag, besloten de directeuren van de katholieke dagbladen het KNP op te heffen. Door dit snelle besluit konden er zelfs geen waardevolle verworvenheden doorgeschoven worden naar de Maliebaan. Er zijn nog wel onderhandelingen geweest met de aandeelhouders en er is nog gezocht naar andere geldbronnen, maar deze activiteiten leidden tot niets: op 31 januari 1973 werd het KNP opgeheven(33). Vanaf de opheffingsdatum van de KNP werd een deel van de activiteiten overgenomen door het ANP. Verschillende redacteuren werden door het ANP aangesteld en de buitenlandse correspondenten leverden hun bijdragen voortaan aan het ANP.

Besluit

De feiten overziende kunnen we concluderen dat de geschiedenis van een katholiek persbureau dateert vanaf 1927. Toen reeds startte H. Hoeben zijn Roomsche Wereldpost. In 1940 heeft Hoeben de zorg voor het persbureau overgedragen aan E.P. Morlion, die vanaf 1945 daadwerkelijk zorg droeg voor de voortzetting van het werk van Hoeben. De rechten van de KWP zijn na de oorlog overgedragen aan het KNP dat in 1973 werd opgeheven. De geschiedenis van een katholiek persbureau omvat dus 46 jaren (1927-1973), een korte tijd maar tevens een tijd met een overvloed aan activiteiten en gebeurtenissen. En de vraag waar het werkelijk om gaat is deze : kan nu gesteld worden dat deze geschiedenis wel of niet de moeite waard is gebleken? Naar onze mening leert deze geschiedenis in elk geval dat er heel wat moet gebeuren willen media de druk van commerciele en/ of van politieke belangen weerstaan .

BRONNEN

  1. F. van Vree, Van Kruisgang tot Kruistocht. Een bewogen geschiedenis van een katholiek persbureau, Jaarboek 1988 Katholiek Documentatiecentrum Nijmegen
  2. Circulaire van "Agence Centrale et Internationale de la Presse Catholique". Archief Bisdom Breda, Pers I. Persbureaux
  3. Correspondentie van "N.V. Katholiek Internationaal Persbureau" te 's Gravenhage uit de jaren 1927,1928 en 1930. Archief Bisdom Breda, Pers I. Persbureaux
  4. Correspondentie A.E. Leo vanuit Frankfurt am Main 1930/1931. Archief Bisdom Breda, Pers I. Persbureaux
  5. Verslag Haagsch Persbureau en Plan oprichting "R.K.Persbureau". Archief Bisdom Breda, Pers I. Persbureaux
  6. Correspondentie van het "Katholische Internationalen Presse-Agentur" (KIPA) van Jos Maria Drehmanns. Archief Bisdom Breda, Pers I. Persbureaux 7) F. Muckermann, "Im Kampf zwischen zwei Epochen", "Lebenserinnerungen", Mainz 1973 H. Gruber, Friederich Muckermann s.j. 1883 - 1946, Ein Katholischer Publizist in der Auseinanderzetzung mit dem Zeitgeist, Mainz 1993
  7. Gegevens van de familie Hoeben (raadpleegadres: via de auteurs)
  8. Brief van H.Hoeben aan het Nederlands episcopaat dec. 1931. Archief Bisdom Breda, Pers I. KWP
  9. Uit niet-gepubliceerd werk van de heer P. Wijnen, 1995. Archief Bisdom Den Bosch
  10. Nieuwsberichten van de KWP uit de dertiger jaren, Archief Bisdom Den Bosch, Pers I. KWP
  11. Berichten van het "Katholiek Persbureau Deo et Patrae" te Berlijn, van resp. pastoor Schols en pastoor Leonards van 8 juli 1937 en 5 jan.1938. Archief Bisdom Breda, Doos 93
  12. Brochure "Tien Jaar KWP", Archief Bisdom Breda, Doos 93
  13. Verslag CIP 1945, van Pater E.P. Morlion, Brussel. Archief Bisdom Den Bosch, Oorlogsarchief 6
  14. "De Actie "Voor God",1936-1941", "Een katholieke elite in het offensief" door P. Luykx. Archief Bisdom Den Bosch, Oorlogsarchief 6
  15. Verslag van de secr. van de K.N.D.P., Mr. W. Huynen, 1 juli 1937. Archief Bisdom Den Bosch, Oorlogsarchief 6
  16. Artikel "Osservatore Romano eert Dr. Hein Hoeben", De Stem, 14 maart 1946
  17. Uit interview met de heer en mevrouw Molenschot, Meerle, 26 juni 1996
  18. Uit dagboek 1940 van L. Soeterboek (raadpleegadres : bij de auteurs)
  19. Correspondentie J.P.J. Asselbergs met Vicaris-Generaal F.N.J. Hendrikx te Den Bosch, 1945. Archief Bisdom Den Bosch, Oorlogsarchief 6
  20. J. Brouwers, "De journalistieke charges van Albert van de Poel", Jaarboek 1988 KDC Nijmegen
  21. S. Zoetmulder, "Het zelfbeeld van een katholieke journalist", Jaarboek 1988 KDC
  22. Brief van 24 mei 1941 van de Aartsbisschop van Utrecht. Archief Bisdom Breda, Pers I
  23. Brief 20 febr. 1942 van de Aartsbisschop van Utrecht. Archief Bisdom Den Bosch, Oorlogsarchief 6
  24. F. Aukes, "Het leven van Titus Brandsma", Utrecht-Antwerpen 1961
  25. "Rapport over de besprekingen der Commissie van Bisschoppelijke Adviseurs inzake Persplan, door het Hoogwaardig Episcopaat ingesteld: 3 febr. 1944". Archief Bisdom Breda, Doos 93. Pers Algemeen 1944 - 1962
  26. Correspondentie van A. Wijffels met de bisschop van Breda, 1946. Archief Bisdom Breda, Doos 93. Pers Algemeen 1944 - 1962
  27. Brochure bij 2-jarig bestaan van het KNP, Archief Bisdom Breda, Doos 93. Pers Algemeen 1942- 1962
  28. "Verslag van de Commissie voor de Perszuivering, 24 mei 1947". Archief Bisdom Den Bosch, Oorlogsarchief 6. Pers II
  29. Uit "De Katholieke Journalist", Orgaan van de Katholieke Nederlandse Journalisten- kring, Oktober 1949. Archief Bisdom Breda, doos 93, Pers Algemeen 1942-1962
  30. Brief van de Apostolische Internuntiatuur, 5 jan. 1950. Archief Bisdom Breda, Doos 93. Pers Algemeen 1942-1962
  31. Correspondentie van het KNP, Archief Bisdom Breda, Doos 93. Pers Algemeen 1942-1962
  32. F.Oudejans, Het einde van het KNP, Streven XXVI- 7 , april 1973
    F.Oudejans, Geschichte und Ende des Katholiek Nederlands Persbureau, in:
    J. Hemels und M. Schmolke, Katholische Publizistik in den Niederlanden,
    München, Paderborn, Wien 1977
  33. Kennisgeving van Mr. Dr. C. Van Haren, directeur KNP, d.d. 1 febr. 1973. Archief Bisdom Breda, Doos 93. Pers algemeen 1942 - 1962
  34. C. van Poeijer, A.C. Maas, Hein Hoeben, Martelaar van de katholieke pers, Katholiek Nieuwsblad 3 oktober 1997
  35. P. Stoop, Niederländische Presse unter Druck, Deutsche auswärtige Pressepolitik und die Niederlande 1933 - 1940
  36. F. van Vree, De Nederlandse pers en Duitsland 1930 -1939, een studie over de vorming van de publieke opinie, Groningen 1989
  37. F. van Vree, De politiek van de openbaarheid, Rotterdam 1999
  38. Kwartana, Katholiek zijn en collaboreren met de tijdgeest, Herkenbosch 1998, nr. 2
  39. J. Hemels, Journalistiek en religie, Amsterdam 1999
  40. H. Wijfjes, Perspectief in de persgeschiedenis, BMGN 1999, nr. 2


Valid HTML 4.01!